Zoeken

onkruid uit eurazië

rafelranden tussen hier en de Beringstraat

Groenland On The Rocks

West-Groenland per zeiljacht

Knal, daar dondert alweer een stuk gletsjer de zee in. Het duistere gekraak is met geen pen te beschrijven. Heb je de wereld gezien, zeggen ze, dan is er altijd nog Groenland. Maar tijdens een zeilexpeditie langs de ijzige kust vink je in één klap je halve #bucketlist af.

DOOR WIELAND DE HOON, FOTO’S SASKIA DENDOOVEN EN PETER VAN COILLIE (COVERBEELD, DRONE)

In het mahoniehouten salon van het ranke zeiljacht Moonlight II of London deelt de bemanning zwemvesten uit. “Wat je ook doet, zorg dat je aan boord blijft”, grinniken ze. Het zeewater bij het West-Groenlandse Ilulissat, ver boven de poolcirkel, is een graad of twee. Toch is het hoogzomer. Groenlandse meisjes joggen door de straten van het havenstadje, een jong stel duwt een kinderwagen. Rafelige sledehonden liggen te soezen in de zon. ‘s Avonds varen we uit, de Diskobaai in.

Metalig en zilt ruikt de koude zeelucht als we koers zetten naar de Ilulissat Ijsfjord, een labyrint van monsterijsbergen. 35 miljard ton ijs per jaar verdwijnt via deze iceberg graveyard jaarlijks de oceaan in. Deze ijsbergen drijven ver zuidwaarts af naar Labrador, Newfoundland en – ooit – richting Titanic. Sensatie: pal voor ons stort een enorme flank in. Een andere reus flipt loom op zijn zij, een metershoge golf breekt tegen de randen van het smalle kanaal waar we behoedzaam doorheen navigeren. Plots verschijnt aan het wateroppervlak een zwart-witte schim: een bultrug. Iedereen gaat uit zijn dak als ook de staartvin sierlijk opduikt: National Geographic! De twintig meter lange walvis is één van de vele die we nog zullen zien. Het avondlicht hult het ijs in een bladgoudlaag, de zee wordt glanzend platina. Eén zonnebril is nauwelijks voldoende.

#walvisspotten #middernachtzonkijken

De Moonlight voelt zich doorgaans perfect thuis in de Caraïben, maar voor deze reis veranderde de airco aan boord in een kacheltje. Dikke bamboestokken aan de boeg moeten loslopende ijsschotsen afweren, de kiel werd behandeld met bioverf. Het is driehonderdvijftig kilometer varen naar onze volgende aanlegplaats. Ruisende golven en een gestaag brommende dieselmotor zijn de soundtrack. Dan steekt er wat wind op en gaan we zeilen. De Moonlight is sloepgetuigd, leggen crewleden Jan Martinus en Rob me uit. Er is een grootzeil en kleiner genuazeil.

Typisch voor een modern zeiljacht en veilig, want je loopt geen risico op een mep van de giek. Toch hou je je tijdens het zeilen beter vast aan de glanzende houten relingen. Maar tijdens onze tocht zal het bijna twee weken windstil zijn. Onze verplichte zwemvestjes zijn er voor het decorum. Overhellen doen we nauwelijks. Het weer, dit glorieuze weer dat ons vanaf de start vergezelt, zorgt voor eindeloze zonovergoten arctische zomerdagen. Kapitein Jo, een ex-militair met een krulsnor en een jack van de Finse marine, vertelt dat er ooit zo’n perfecte rugwind stond, dat hij wel zestien knopen kon halen. Maar de passagiers hadden ‘vol-au-vent’ anders begrepen en wensten geen diner bij een schuine hoek van 15 graden.

PERFECTE SKIPISTES EINDIGEND

IN EEN GLANZENDE, DODELIJKE DUIK 

Wij tuffen met een slakkengangetje van drie knopen verder naar het zuiden. De Belgische driekleur wappert in de flauwe bries. Op deze exploratietrip hééft het wel iets. Onze bemanning brengt overal nieuwe ankerplaatsen in kaart, want voor pleziervaarten is Groenland terra incognito. Het is vaak gissen en aftasten waar we veilig voor anker kunnen.

Ondertussen blijven we maar vinvissen en dwergvinvissen spotten. Drie bultruggen voeren een spectaculair ballet op. Synchroon komen ze naar boven om krill en visjes bij elkaar te drijven. De meeuwen hebben er een feestje aan. “De herfst begint op deze breedtegraad op 24 juli, wanneer de zon voor het eerst weer onder de horizon duikt”, mijmert Rob, onze scheepswerktuigkundige. Voorlopig blijft het ’s nachts licht. Internetbereik hebben we ondanks een lokale simkaart nergens. Maar dat hoeft ook niet, in deze diffuus paars-violet-roze wonderwereld. Aan de horizon doemt af en toe een eenzame ijsberg op: een flatgebouw met een gat erin, een piramide met sfinks, perfecte skipistes eindigend in een glanzende, dodelijke duik.

#packraften #gletsjerfluisteren

Groenland beslaat van noord naar zuid een even grote afstand als van Schotland naar Marokko. De kust is één immens fjordenstelsel. Per zeilschip de ijsvrije westkust verkennen en er lange trektochten maken: outdoorfanaten Willem (30) en Sofie (34) zagen er de ultieme vrijheid in.

Hun plan: elk jaar tussen juni en eind september zeilen van de Diskobaai in het noorden tot Kaap Farvel in het zuiden. Opgedeeld in etappes van telkens twee weken, voor een achttal passagiers per trip. Dat we ook zouden packraften, gaf de doorslag om mee te gaan. Een packraft is een draagbaar opblaasbootje van twee kilo waarmee je overal naartoe kan. Zoals naar een beest van een zeegletsjer, om er brokken ijs zo groot als een rijhuis te zien afkalven! Eerst leggen we nog aan in Sisimiut, een metropolis van vijfduizend inwoners vol kleurige huisjes. Sofie gaat op jacht naar vis en rendiervlees, wij op verkenning.

Een vriendelijke Groenlandse familie. Ze hebben een houten huisje aan een baai waar ze ’s zomers komen vissen en de stad even vergeten. De meeste Inuit die we ontmoeten zijn vriendelijk, verlegen en zwijgzaam, lijken zelfs wat kwetsbaar. Al is dat laatste meestal maar schijn: in al zijn schoonheid is dit een vreselijk onherbergzaam land, ongeschikt voor watjes. “Deze lente zijn we naar Antalya geweest”, vertelt de familie. “Om de kou te ontvluchten”. Hadden we al een klassiek beeld over het Inuitvolk, dan is dat meteen enigszins bijgesteld. “Wij komen hier van de natuur genieten. Alleen oma heeft het échte buitenleven nog gekend”, zegt mama Margrethe. “Hier, proef wat rauwe narwal. Snij zelf maar een plakje af. Of neem wat mattak, pikzwarte walvishuid.” Net als haar zus Caroline heeft ze Aziatische ogen en een Deense naam.

“Een overblijfsel uit de koloniale tijd. Maar jongeren hebben meestal een Groenlandse voornaam.” Zoals Nukakkuluk, een jongen met een leren jekker met wie we ook aan de praat raken. “Zeg maar Nuka. Mijn familienaam is Josephsen. No hard feelings tegenover Denen, al zien ze ons nog steeds als hun onderontwikkelde achtertuin.” Honderden miljoenen euro’s pompt Denemarken het land in. Toch zijn veel Groenlanders de bemoeiienissen uit Kopenhagen beu over walvisvangst, mijnbouw of jacht. Maar tegen welke prijs? Twee vrouwen staan te zwaaien met een grote roodwitte Groenlandse vlag, kleurig afstekend tegen de bruingroene heuvels. De stralende toekomst, gesponsord door Chinese mijnbouwbedrijven, ligt binnen handbereik.

EEN BERUCHTE FOBIE BIJ DE INUIT 

IS NANGIARNEQ OF KAJAKANGST

Dan varen we de Eternity Fjord in. Honderd kilometer reikt hij landinwaarts. Puntige bergen met loodrechte rotswanden en sneeuwtoppen torenen boven ons uit. Denk bij een Groenlandse fjord niét aan Noorwegen: de verlatenheid hier is totaal, de ongereptheid absoluut.

Ons doel is de gletsjer Kujadleq. Iedereen wordt stil als we naderen: urenlang hebben we hem in ons blikveld. We blazen de packrafts op en peddelen voorzichtig tussen blauwe ijsschotsen als eeuwenoud ijzig saffier. Fluisterijs waaruit zachtjes knisperend luchtbelletjes ontsnappen. Onze packrafts lijken blauwe, rode, gele en groene spikkeltjes hagelslag op de fjord. Varen doorheen de ijsblokjes voelt korrelig aan. Scherpe randen hebben ze. Eén scheurtje in mijn packraft en ik zink. Een beruchte fobie bij de Inuit is nangiarneq of kajakangst: paranoia over een vollopend, kapseizend bootje. Denken dat er water onder je huid zit, is een typisch symptoom. We houden halt op honderd meter van gletsjerrand en wachten tot een grote ijstoren het begeeft. Er komt geen grote golf die ons ondersteboven gooit, wel een trage, stroperige deining die het ijs rondom ons doet kreunen. De Kujadleq rommelt, er komt nog meer los. Hier kan ik de hele dag dobberen. Bijna zonder kajakangst.

#ijszwemmen #offroadgaan

Een ijsduik, verslavend? Mijn schouderspieren zinderen. Ik zweet me kapot. Véél te warm aangekleed. Een snelle sprong in het water om af te koelen – dankzij wat groepsdruk wordt ijsberen hier plots vanzelfsprekend. En er komt nog meer actie op ons af. Met gids Sofie gaan we op vierdaagse trekking met rugzak en ultralighttentje. Eerst nog wat varen, gelukkig.

Respijttijd met Dinah Washington in het salon met zijn boeken, gin-tonic, reuzegarnalen in cocktailsaus, plakjes wilde zalm, Bretoense vissoep en chicon gratin. Vakantie in Groenland. Dan spurt ratelend de ankerketting het water in – en worden we met zijn allen onverbiddelijk afgezet op een onbewoond schiereiland. Het is er prachtig, onbetreden, onbekend en vol miljarden muggen. Maar de spitse, naamloze bergen en de vele meertjes maken alles goed. Beklim je een anonieme top, dan kun je een naam laten registreren bij de geografische dienst, vertelde Willem ons. Måneskin Toppen lijkt ons wel wat. Je moet er wel iets voor over hebben.

Trekken in Groenland betekent: met twintig kilo op je rug offroad gaan over puinhellingen, soppen door zompig moeras, of half bevriezen tijdens ijskoude doorwadingen. Waar is dat schip en de hespenrolletjes in het kombuis? Het wordt de onterechte running gag tijdens onze tocht, een aaneenschakeling van natuurwonderen waarover je een jaar lang kan blijven dagdromen.

#beachpartyen #ijskapfietsen

Een beachparty, het moest er van komen. Op het strand van een bergmeertje. Vuur laait hoog op, balkanbeats galmen, kapitein Jo doet zot en de whisky vloeit. We voelen ons écht pioniers. In geen honderd kilometer om ons heen staat een huis. Een ongekende luxe, als alles goed gaat.

We nemen afscheid van onze geweldige bemanning. Er zal nog een afscheidsfeestje volgen – iets met op Vlaamse schlagers swingende Groenlanders. Dan checken we in op het propellervluchtje van Maniitsoq naar Kangerlussuaq, de luchthaven voor onze retourvlucht naar Kopenhagen. We hebben nog een dagje over. Er staan mountainbikes te huur! En zo komt het dat we over een zanderige piste fietsen door een kurkdroog poolwoestijnlandschap naar de rand van het Grote IJs – Sermersuaq. De Groenlandse ijskap strekt zich uit zover het oog kan zien. Chaotisch en ongenaakbaar, al je zintuigen raken het noorden kwijt.

Smeltwater baant zich in donderende stromen een weg richting zeespiegelstijging. Een poolhaas houdt ons op zijn gemakje in het oog, diepvrieswind giert door onze kleren. We spotten rendieren en muskusossen. Kunnen we ook een stukje Groenlands ijs adopteren? Door minder te vliegen (maar dat deden we al, écht). Of als het niet anders kan: als blokjes blauw fluisterijs in een gin-tonic, op ons tuinterras.

PRAKTISCH

Groenland (Kalaallit Nunaat) raakt in trek als actieve bestemming, maar een goedkope trip is het niet. Je vliegt met Air Greenland of Icelandair. Vanuit de internationale hub Kangerlussuaq (‘Kang’) zijn er vluchten naar Nuuk, Ilulissat, Sisimiut en Maniitsoq. Verschillende veerdiensten in Zuid- en West Groenland. In het zuiden vind je de enige asfaltweg tussen twee dorpen (4,8 kilometer, tussen Ivittuut and Kangilinnguit). In de winter reis je in Noord- en Oost-Groenland per hondenslee. Daar vind je nog traditionele jacht- en vissersgemeenschappen van enkele tientallen mensen. Het enige gemarkeerde wandelpad in Groenland is de ACT, de Arctic Circle Trail: 160 kilometer van Kangerlussuaq naar Sisimiut.

Groenlanders zijn met 56.000, waarvan 12.000 in de hoofdstad Nuuk. Het Groenlands – Kalaallit – behoort tot de Inuit-Aleoetische talen. Alle Groenlanders spreken Deens, de meesten ook wat Engels. De meeste mensen zijn vriendelijk maar verlegen. Af en toe nodigen ze je zomaar uit op de koffie: een kaffemik! Visvangst, walvisjacht, mijnbouw en toerisme zijn de belangrijkste inkomensbronnen. Al zijn er maatschappelijke problemen, onveilig hoef je je er niet te voelen. Het sociale vangnet is op Europese leest geschoeid en er is een alcoholavondklok. In de extreme Groenlandse wildernis ben je op jezelf aangewezen. Bereid je zorgvuldig voor. De zomers in Groenland worden net als elders warmer dan vroeger.

Wij reisden met Puffins Travel (puffins.travel), dit jaar opgestart door de jonge Vlamingen Willem Vandoorne en Sofie Vanmaele. Ze gaan voor kwaliteit, ecovriendelijkheid en kleinschaligheid. Je reist zo ongemotoriseerd mogelijk. Verse voorraden worden altijd lokaal en zonder tussenpersonen ingeslagen, tijdens de landarrangementen overnacht je bij voorkeur bij Groenlanders thuis en in een bivaktent. Informeer je vooraf goed, als Puffin heb je best wat ervaring met rugzaktrekkings. Je ontdekt dan wel fantastische berglandschappen, zeegletsjers, hoogvlaktes, wilde dieren, warme bronnen, authentieke nederzettingen…

Advertenties

Het dak van de Eifel

Toegegeven, wandelen in de Eifel lijkt nogal op stappen in de Ardennen. Maar er zijn een paar belangrijke verschillen. De routemarkeringen zijn superdeluxe, zeker in het Nationalpark Eifel waar de twee grote wandelroutes van dit stukje Duitsland samenkomen: de (lange) Eifelsteig en de (veel kortere) Wildnis Trail. Ze ontmoeten elkaar boven op een bijzonder stukje natuurschoon: de Dreiborner Hochebene. Die boomloze ‘hoogvlakte’ is eigenlijk een voormalig militair terrein met hier en daar nog fikse bomkraters en opgeblazen en nu fraai overwoekerde bunkers. Het lijkt wat op Elsenborn, maar in tegenstelling tot de Hoge Venen bestaat de bodem hier niet uit veen maar uit droog grasland, afgewisseld met brem en hier en daar een sparrenbosje. Grote stukken van deze 3300 hectare grote vlakte bieden je een leuke wilderniservaring die hier en daar wel een beetje wegheeft van  Engelse moorlands – als je tenminste niet de hele tijd kijkt naar windmolens aan de horizon, net over de grenzen van het nationale park. Dit is tenslotte Nordrhein-Westfalen en niet Dartmoor. Soit, de Dreiborner Hochebene is een aardige brok natuur waar we twee nachten ongestoord wildkampeerden en de eerste ochtend warempel verrast werden door een prachtige kudde edelherten.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

We liepen een veertigtal kilometer in een wijde lus van en naar het peperkoeken dorp Einruhr, waarbij de leukste vista’s zeker te vinden zijn in deel in de buurt van het in 1936 (door de SS) ontruimde en in 1946 (door de geallieerden) verwoeste dorpje Wollseifen waar nog een kerkje en enkele nephuizen voor schietoefeningen te vinden zijn. Ook de voormalige SS-Ordensburg Vogelsang is een attractie, een donker en naargeestig nazicomplex met een prachtig uitzicht op de grillige oevers van het diep ingesneden Rur-stuwmeer. Een prima kantine vind je ook in deze kazerne vol Derde Rijksymboliek waar het Belgische leger na de oorlog tot groot genoegen van de dienstdoende Xavier Waterslagers’en 2006 zijn tenten opsloeg. Hee, wandelen in de Eifel lijkt al bij al helemaal niét op stappen in de Ardennen na een rondje Dreiborner Hochebene.

Struthof, ma belle

20161101_130435

Over een concentratiekamp weet je eigenlijk niets tot je zelf door de poort naar binnen stapt. Laat varen alle hoop, het bekruipt je wanneer je het griezelige K.L. Natzwiller-Struthof betreedt. Niemand schijnt het te kennen, dit kamp waar tussen 1941 en 1944 22.000 mensen omkwamen. 86 Joden werden er experimenteel vergast in een omgebouwde voormalige feestzaal om deel uit te gaan maken van een etnisch curieuze skelettencollectie voor de universiteit van Straatsburg. Geurige herfst, een knisperend briesje uit het oosten, gele en rode vallende, tuimelende, wervelende bladeren: de setting is heerlijk. Aan de horizon, doorheen het prikkeldraad dat ooit de nette, in rotten van vier opgestelde barakken scheidde van de prachtige natuur, lonken de hellingen van de 1009 meter hoge, heilige berg Donon. Aan weerszijden van het tegenwoordige langeafstandswandelpad GR53 over de ruggengraat van de Vogezen, wachtten de verzetsstrijders in de hoopvolle zomer van 1944 hun kans af om hun kameraden in Le Struthof te bevrijden. Ze waren te laat: in de nacht van 1 op 2 september vermoordden SS’ers alle gevangen maquisards. De verhalen zijn bekend, maar je moet dit ijselijke kamp gezien hebben, de frisse berglucht geroken, de kille tekeningen van de overlevende Franse officier Henri Gayot op je laten inwerken, de strop aan de galg zien bungelen, naar het groene bloemetjesbehang gestaard hebben van de medische experimenteerruimte waar 86 lijken verzaagd werden omdat ze niet op tijd aan de Strassburger Reichsuniversität raakten. De houten toegangspoort van het K.L. Natzwiller-Struthof lijkt op een scoutsconstructie. In de wouden rond het open rotsplateau van de Rocher de Mutzig met zijn massieve monolieten maakten we de mooiste wandelingen van het jaar. Op de flanken van de Jardin des Fées weerklonk hondengeblaf en geschreeuw van jagers.

20161101_150158
20161101_114908

20161030_09311520161030_10473520161101_12354520161030_12582320161030_13013320161030_123721.jpg20161031_09271220161031_10484420161031_15171820161031_15244420161031_15432820161101_12435820161101_12473420161101_12475220161101_14533220161101_14592020161101_152242

De planeet Melancholia

Flores1.jpg
Flores, Açores – West Coast near Faja Grande

De twee westelijkste Azoreneilanden zijn de mistige karakters van de familie. Is Flores de balorige bruid – houd Kirsten Dunst maar in gedachten – dan is Corvo de lastige kleine van de hoop. Een week lang speelden ze een spelletje hard-to-get met ons.

Tekst Wieland De Hoon – beeld Saskia Dendooven/Wieland De Hoon

Oceaan. Een eilandgevoel. En wat geografische eigenaardigheden, meer moest het niet zijn. Tristan da Cunha of Sint-Helena liggen te ver, en zo komt het dat we op een zonovergoten ochtend met een propellervliegtuig landen op het afgelegen Azoreneilandje Flores. Ons fleurige dorpje Faja Grande aan de westkust heeft Portugese flair, kasseistraatjes, achttiende-eeuwse kerkjes en huizen in pastelkleurtjes. Geen apparthotel te bekennen. Wel een wijnbarretje van een hippie-achtige Spaanse: we mogen buiten op zwarte lavarotsen in een kleurige sofa zitten. ’s Avonds verpozen bejaarde dames met dikke brilglazen onder de platanen, de mannen roken een sigaretje op een straathoek. Direct achter Faja begint het nevelwoud.

unspecified2.jpg
Flores, Açores. Forest, Faja Grande.

 

Flores en Corvo zijn biosfeerreservaat. De natuur is er aangrijpend mooi. Een uitbundige explosie van donkergroen, ondoordringbaar regenwoud aangekleefd tegen hoge kliffen waar tientallen watervallen naar beneden ruisen. Hortensia en siergember (Hedychium gardnerianum) zijn de bloemen die je hier overal ziet, eigenlijk twee immigranten uit de Himalaja. Ook bananen, papaja en ananas zijn import die prima gedijen op Flores. Met groengrijze rotswanden als speelterrein voor meeuwen, sterns en stormvogels duikend in laaghangende oceaanmist is het hier een subtropisch mini-Schotland met dag en nacht een temperatuurtje van 22 graden. De vochtige kustjungle is amper een paar kilometer breed. Al de eerste avond springen we aan de voet van de honderd meter hoge waterval Poço do Bacalhau in een meertje. Iets frisser toch dan we hoopten.

Flores3.jpg
Flores, Açores. Poço da Alagoinha.

Onze gastheer Octavio is een opmerkelijke mix tussen Richard Pryor en een sandinist uit het Managua van 1979. Hij tuurt met ons mee over de oceaan vanop de kerktrappen van het gehucht Ponta Faja. Vlak voor de kust, op 31° 16‘ westerlengte, ligt het piepkleine Ilhéu do Monchique. “Het westelijkste puntje van Europa”, zegt Octavio. “Verder niks meer.” Zeelui ijkten er vroeger hun navigatie-instrumenten op. De rots als een zwarte haaientand is te zien vanop het spectaculaire kustpad. Woeste schuimkoppen rollen er tegen te pletter.

unspecified.jpg

Mooi, zou wijlen islomaan Boudewijn Büch dat gevonden hebben. In zijn boek De wereld in 160 eilanden komen de Azoren niet voor. Dodo’s waren er niet op Flores, noch is hier het graf van een bekende schrijver te vinden. Maar Büch zou Flores vast interessant gevonden hebben door de ongenaakbaarheid van de oceaan die dit speldenkopje van 10 bij 16 kilometer omspoelt. Dat je je hier pal even ver – tweeduizend kilometer – van de Portugese als van de Canadese kust bevindt, hij zou er zich danig over verkneukeld hebben. Net als over het weetje dat Flores en Corvo zich al op de Noord-Amerikaanse tektonische plaat bevinden.

unspecified7.jpg
Corvo Island, Açores

Het eiland Corvo ligt het verst van alles. Met zijn zeven vierkante kilometer is de winderige berg het kleinste Azoreneiland. Drie kwartier duurt de overzet met de ferrybootje Ariel. Met zijn twaalven – meer passagiers kunnen er niet op – ondergaan we de Atlantische deining, maar we hebben hoge bescherming: tegen de gevels van de witte huisjes van Corvo zijn ingemetselde tegels gewijd aan Nossa Senhora dos Emigrantes, de schutspatrones van de emigranten. “Ik ben hier geboren, maar mijn ouders trokken naar Vancouver toen ik amper één was”, vertelt Oriana, een mollige zestigster met een sonoor Amerikaans accent. Het is de laatste zondag van juli, en dan gaat in hier het feest van de Sagrada Familia door, de heilige familie. “Op Corvo zijn we allemaal very, very catholic”, ratelt Oriana monter terwijl ze gebraden kippenbouten met frieten op plastic borden schept in de eettent die voor de gelegenheid werd opgezet.

unspecified9.jpg
Flores, Açores. Forest.

“Voor elke heilige is er wel een feest. Het grootste is Nossa Senhora dos Milagres, het feest van de Heilige Maagd der Mirakels. Dan gaat er een nog grotere processie uit. Kom je niet kijken straks? Eerst moet je wel mee naar de mis.” Madonna’s in de mist. Mirakels kunnen de mensen op Corvo wel gebruiken. ‘s Winters is het isolement soms niet te harden. De bevoorrading kan tijdens winterstormen dagenlang stokken, verse groenten en fruit zijn dan in een wip uitverkocht. “Toen ik hier een paar jaar geleden weer kwam wonen, had ik niet zoveel met heiligen – ik kom uit Vancouver, weetjewel.

Corvo1.jpg
Corvo, Açores, harbour pier

Toch heb ik ook zo’n huistegel laten inmetselen. Baat het niet dan schaadt het niet, dacht ik”, grinnikt ze terwijl ze een sliert grijs haar wegveegt voor haar dikke brillenglazen en ons nog een kippenbil serveert. De processie rukt uit. Traagt deint Nossa Senhora mee op de schouders van de processiegangers. De monstrans wordt gedragen door een magere zwarte man in een glimmende broek. Misschien heeft hij Angolese of Guinese roots. De pastoor draagt een zwarte zonnebril en lijkt op Don Corleone. Oriana wijst naar de achter het dorp oprijzende vulkaanhelling: “Zijn jullie dáár al geweest?”

unspecified4.jpg
Flores, East Coast

“Daar” is de hoog boven Vila Nova rustende drakenrug van de caldeira, de grote vulkaankrater. Die is dé reden voor onze drie vluchten en een boottocht helemaal hierheen. Waar het in het dorp volop zonnig is, belemmeren wolkenflarden ons bij het omhoog rijden al snel het uitzicht. De chauffeur haalt zijn schouders op: niets bijzonders. De oceaan lijkt loodgrijs door de vette lage wolk die onwrikbaar boven de kust hangt. Maar zie, Nossa Senhora is ons goed gezind: de mistflarden waaien weg en een reuzenketel met daarin meertjes en eilandjes wordt zichtbaar. Met wat verbeelding zie je er de vorm van de Azoren in, had Oriana ons bezworen.

unspecified.jpg
Azores, Ilhéu do Monchique, 31° 16’30” W

Het fijnmazige patroon van schrale weiden en lila hortensiahagen op de kraterflank lijkt wel een impressionistisch schilderij. Vlak erachter duikt de rotswand zevenhonderd meter de diepte in. Enkele koeien staan onverschillig te herkauwen. Zout en gras geven Azoreaans rundsvlees een unieke zilte smaak. We proberen het uit in het restaurantje O Pescador in het gehucht Ponta Delgada op Flores. Wat ik ervan verdenk een leren lap vlees te zijn wegens een ongevraagde bien cuit, blijkt een wereld van aroma en superieure textuur te zijn. En, Pomatomus Saltatrix nog-aan-toe, de blauwbaars die we geserveerd krijgen in O Pescador is wereldklasse. Haast achteloos krijgen in dit obscure eethuis voor een miniprijsje spijzen voorgezet die ons in België met ons vieren een driecijferrekening zouden opleveren.

unspecified6.jpg

Ook na vijf dagen is de mist in het binnenland nog niet opgetrokken. “Of we de meren al gezien hebben?”, vraagt Octavio. Volgens hem is het een hele rare zomer. Climate change, zou je haast gaan denken. De vijf meertjes op de hoogvlakte van Flores zijn inderdaad niet te bespeuren. De highlands van Flores geven zich met tegenzin bloot. Het is niet het enige verschil tussen Flores en Corvo en de andere, lieflijker Azoreneilanden. Flores is groen en ongerept, maar heeft een onherbergzaam trekje. Het grootste zandstrand vind je er aan de Faja – letterlijk kustakker – de Lopez Vaz aan de zuidkust. Spectaculair is de wandeling die ons van het hoogplateau naar de kust voert. Enkele huisjes liggen er achter het zwarte strand tussen maïs, bananen- en suikerrietveldjes. Het riet ruist in de zeewind, achter ons alweer zo’n hemelhoge muur van tot aan de wolken reikende verweerde kliffen. Het is er onheilspellend afgelegen, maar ook prachtig. Op het paadje naar beneden hebben verschillende Mariabeeldjes een nisje in de rotswand gekregen.

az3.jpg
Flores, South Coast, Faja de Lopo Vaz

Aan het rotsbassin van Faja Grande staat een visser op de betonnen kaai. Als de verweerde Santiago uit Hemingways oude man en de zee blijft hij zijn lijntjes met als aas een klein visje eraan uitgooien. Telkens haalt hij zijn lijn schoon weer in. Ze zuigen, maar bijten niet: deze Santiago slaat geen reuzenmarlijn aan de haak.

unspecified.jpg
Flores, Açores, Faja Grande

Dat hij er nog een hengelelleboog aan over houdt als hij zo doorgaat, vrezen we. Samen kijken we uit over de deinende oceaan richting Amerika. Er steekt een kleverig briesje op. In het veilige zwemgedeelte bij de kaaimuur zwemt ons kroost in de nét niet lauwe branding tussen bontgekleurde visjes en knalrode zeesterren.

az1.jpg
Flores, Açores, Hedychium gardnerianum

Praktisch

De westelijke Azoren zijn de natste. De temperatuur schommelt ook buiten de zomermaanden overdag het hele jaar door tussen 17 en 22 graden. Het weer is totaal onvoorspelbaar, maar biedt je een prachtig wisselend schouwspel van zon, mist en regenbuien.

Wij vlogen met TAP en SATA van Lissabon via Horta (eiland Faial) naar Santa Cruz das Flores. Je kan ook rechtstreeks met Jetairfly vanuit Brussel naar Ponta Delgada op het eiland Sao Miguel. Van daaruit kan je met SATA naar Flores of Corvo. Tijdens de zomermaande verzorgt rederij Atlanticôline de lijn Horta-Santa Cruz das Flores.

unspecified3.jpg

Via de site http://trails.visitazores.com/en check je per eiland de mooiste wandelingen op de Azoren via Google Earth.

Verblijven deden we in Residencia Matéus op Flores: simpel, goed en reuzesympathiek. http://residenciamateus.com

Visrestaurant en authentieke Portugese taberna O Pescador in Ponta Delgada bereiken kost wat moeite, maar de plek is zijn viereneenhalve ster op Tripadvisor dan ook waard. Probeer er als voorgerecht de witte Azoreaanse queijo fresco met pimenta da terra-rode pepersalsa.

Canyoning op Flores laat je het allermooiste beleven van de watervallen en rotspoelen op het eiland: www.westcanyon.net. Hoogtevrees is leuk.

Zwemmen tussen de scholen visjes en socializen met de Azoreanen: heerlijk in de natuurlijke rotspoelen van Santa Cruz das Flores.

FloresCorvo.jpg
Distance Ilhéu do Monchique to Path End, Canada: 1933 km ————————————————- Distance Ilhéu do Monchique to Cabo da Roca, Portugal: 1879 km

 

 

 

Altijd rechtdoor: de Viae Romanae

Dat de Romeinen graag fietsten, weet iedereen. Haha, onzin. Maar waarom legden ze dan zulke perfecte fietssnelwegen aan? 

Flobecq.jpg
Flobecq

In Henegouwen bleven zeven Romeinse heirbanen bewaard. Ze trekken kaarsrechte lijnen door het landschap, in allerlei soorten: een veldpaadje kan plots overgaan in een drukke nationale weg of een lintbebouwde dorpsstraat. Evengoed beland je dan weer op een modderig tractorspoor tussen twee akkers. Uitwaaieren doet die zevensprong vanuit het Franse grensstadje Bavay. Dat tweeduizend jaar oude patroon zie je nog duidelijk op een gewone moderne wegenkaart.Ooit heette het daar Bagacum Nerviorum en was het de hoofdplaats van de Nerviërs, zowat de lastigsten aller Galliërs.

Wodecq.jpg
Wodecq
Lahamaide.jpg
Lahamaide

In de late jaren zestig waren de gebroeders Willy en Marcel Brou er ook al mee bezig. Hier een fragment uit hun boek Chaussées Brunehault et monuments meǵalithiques de la Gaule du nord, Willy Ch. et Marcel L. Brou, 1969 : “In België vinden we oeroude kaarsrechte wegen die met behulp van viseerlijnen zijn ontstaan. Een viseerlijn of straal is een op een ster of planeet gerichte lijn, die is geprojecteerd op de aarde. Ze werden Bruneholdewegen genoemd, sporen van hun tracés zijn nog makkelijk terug te vinden. Het zijn er zeven, die in Bavai bij elkaar komen. Op het marktplein van Bavai staat een gedenkzuil waarin de zeven wegen zijn aangegeven” (bron: kunstgeografie.nl)

Jesus.jpg
Blicquy
Oeudeghien.jpg
Oeudeghien

Van Gent naar Bavay

De heirbanen heten allemaal officieel Chausseé Brunehault (of Bruneholdeweg). Deze naam verwijst naar de Frankische prinses Brunhilde van Austrasië (534-613). Onder haar bewind werden de oude Romeinse wegen opgeknapt. Op de Ferrariskaarten uit 1777 zie je de spelling ook als Chaussée Bruneau (of Chaussée Ancienne). So far for the geeky history stuff. Of wacht. De heirbaan Bavay-Tongeren (Tongeren was een belangrijke etappe naar Keulen, Colonia Agrippina) en westwaarts Bavay-Boulogne is de bekendste heirbaan: de Via Belgica. Minder bekend zijn Bavay-Asse (die liep door naar het Bataafse Dorestat, in wat nu Nederland is) en Bavay-Velzeke (in de buurt van Zottegem in Oost-Vlaanderen).

En dan nu praktisch. De heirbaan Velzeke-Bavay, want daarover gaat dit blogpostje, werd onlangs bewegwijzerd en is inderdaad heel mooi traject dat je vanuit Gent door de Zwalmstreek, de Vlaamse Ardennen, het Pays des Collines, de vlakte van de Haine en het Haut-Pays brengt. De aanleiding voor dit stukje is dan ook mijn tweewieler die ik van stal haalde om van Gent naar Bavay te fietsen, wat op zich sneller gezegd dan gedaan is op een doordeweekse zondag. Gent-Bavay is al gauw zo’n 110 kilometer en dan moet je nog terug. Gelukkig zijn er stations in Quiévrain, Quévy en Mons, waardoor je je terugkeer makkelijk kan plannen.

Blicquy.jpg
Aubechies
Brunehault.jpg
Mainvault

Legioenen Johnnies

Hoe is het fietsen op deze heirweg? C’est compliqué. Trage wegen zijn dit nog niet echt, af en toe zelfs eerder racepistes waar Johnnies je voorbijrazen tegen 140 per uur. In Vlaanderen is dat niet zo’n probleem, wegens teveel bochten op het traject. Pas vanaf Brakel, tien kilometer voorbij Velzeke (km 0), wordt de weg echt kaarsrecht zoals het hoort, vanaf de Riebeke (km 12). Aanduidingen naar een ‘Romeinse Weg’ vind je hier overigens nergens. Via de Leinstraat en Cijnsland bereik je de taal- en gemeentegrens met Flobecq-Vloesberg (km 15). Daar begint de fun op de 13% afdaling naar het gehucht Puvinage (km 18) waar je aan het kapelletje de eerste (en gloednieuwe) wegwijzer ziet van de Viae Romanae.

Je bent en blijft op de goede weg: vanaf nu is het altijd… rechtdoor. Wodecq verveelt nog met wat lintbebouwing maar bij Lahamaide en Œudeghien heb je een mooi weids uitzicht op het Pays des Collines. De Chaussée Brunehault streept zichzelf kaarsrecht door Houtaing, het gehucht ‘Rome’ (haha), Ligne, Blicquy en Aubechies, waar je een Gallo-Romeins museum kunt bezoeken (de Archéosite – km 39). Jezus kijkt je onderweg op de baan aan achter tralies in een nog een kapelleke, de wind heeft vrij spel over de uitgestrekte bietenvlakte. De Romeinse legioenen zullen hier niet zo uitgewaaid zijn als ik, want toen was het hier het Kolenwoud en dus allemaal gevaarlijk bos (check locatie ‘Nervii’).

Blicquy2.jpg
Beloeil
Bavay.jpg
Bavay

Geen kermiskoers

Bij Ellignies Sainte-Anne vervoegt de drukke N527 de Chaussée Brunehault en ben je aangewezen op zo’n erbarmelijk Henegouws fietspad vol glassplinters en loszittende betonplaten. Hier loopt lekker fietsen wat spaak op de Via Romana. Verder geen kritiek op deze mooie provincie, want het RaVEL-netwerk is hier echt geweldig uitgebouwd. Nu komt het erop aan om de Viae Romanae-borden goed te volgen, want je moet achtereenvolgens de E42, het kanaal Nimy-Blaton, het kanaal Hensies-Pommeroeil en de E19 kruisen voordat je in Hensies (km 56) weer kunt aansluiten op de Chaussée Brunehault. Je hoeft gelukkig niet door het ultradeprimerende (écht, brrr) Quiévrain: het gaat door uitgestrekte velden via Audregnies naar Montignies-sur-Roc, waar het alweer begint te heuvelen.

Dit is het Haut-Pays, een stukje Borinage, jawel, vol bossen, beekjes en bakstenen dorpjes, nauwelijks bekend in Vlaanderen. Er is zelfs een brouwerijtje, de Brasserie de l’Abbaye des Rocs. De Vlaamse Ardennen zonder de kermiskoers en een boeiend stukje grensgebied. In de voormalige commandorij La Flamengrie vind je nog achttiende-eeuwse grenspalen met ‘France-Autriche’ erop gebeiteld, van voor 1792 dus. De grens (km 66) zelf steek je over aan een kitscherig ex-douanekantoortje, naar het Franse Bavay is het dan nog zeven kilometer. Daar valt een groot Romeins forum te zien (199 bij 300 meter), wat het stadje qua Romeins historisch belang op dezelfde lijn plaatst met bijvoorbeeld Trier en zijn Porta Nigra. Schreef ik ‘op dezelfde lijn’? Welja, de heirbaan tussen Bavay en Trier bestaat ook nog. Conclusie? Die zes andere Viae fietsen we zo binnenkort mogelijk.

Carte-Brou.jpg
de Brou-kaart (1969)

 

unspecified
Klik hier voor de route

Demokratik Lüks

Vorige maand voor het cultuurmagazine 100% EXPO een interessant interview gehad met curator Nav Haq van de expo Demokratik Lüks (Demokratische Luxe), gewijd aan het werk van de Turkse kunstenaar Hüseyin Bahri Alptekin (1957-2007) wiens werk momenteel te zien is in het Antwerpse M HKA. Het hoofdthema en de rode draad zijn de vage uithangborden van goedkope hotelletjes inde Turkse grootstad Istanbul die je met hun exotische namen luxe en comfort beloven, maar je integendeel enkel vergane glorie of enigszins verlopen hotelgasten te bieden hebben. De belofte glanst mooier dan de realiteit.

Hüseyin Bahri AlptekinHet expobeeld spreekt me ook aan omdat het herinneringen oproept aan mijn eerste bezoeken aan Turkije in de jaren ’80, waarbij ik geregeld reisde met lange afstandsbussen. Die nam ik dan in het al lang verdwenen busstation aan de Byzantijnse stadsmuren van Theodosius, het Topkapi Otogar, een onmogelijke mierenhoop van reizigers, toeterende taxi’s en zwarte dieselrook uitbrakende bussen.

TOPKAPI_CIHAN-6-

Een moderne busterminal in Turkije ziet er tegenwoordig uit als een halve luchthaven, maar toen waande je je echt nog in de Oriënt. Wat me vooral bijblijft is de gigantische wall van borden met de namen van de busmaatschappijen, waaruit je vaak meteen kon afleiden naar welke Anatolische stad je een rit kon boeken in het onooglijke kantoortje eronder.

Trakya Otogar

De maatschappij ‘Malatya’ reed naar Malatya, maar je kon hem ook gebruiken om onderweg af te stappen in Kayseri. De belofte van mijn bestemming hebben deze busmaatschappijen altijd ingelost (ik ben nooit gecrashed op de Turkse highways) en de belofte van avontuur losten de borden in door er gewoon naar te staan kijken.En met Alptekin vond ik de pure belofte – in dit geval van de road trip – vaak nog mooier dan wat ik ervoor in de plaats kreeg.

Enfin, hier het hele interview:

Democratische Luxe – Hüseyin Bahri Alptekin

Illusieloze observaties

Het oeuvre van De Turkse beeldend kunstenaar Hüseyin Bahri Alptekin (1957-2007) in het M HKA is een blikvanger tijdens de expo’s in het kader van Europalia. 100%EXPO vroeg curator Nav Haq naar het waarom van de keuze voor deze verzamelaar van banale restproducten van de globalisering.

“Dit is de eerste volledige retrospectieve van zijn werk”, zegt Nav Haq. “De titel van de expo verwijst naar een column van Alptekin over cultuur en politiek. Demokratik Lüks of Democratische Luxe draagt een soort ingebouwde contractie in zich. Het is een expotitel die heel erg Alptekins werk weerspiegelt, waarin hij zich gefascineerd toont door de belofte van iets en zijn banale realiteit, van wat je in the end eigenlijk maar krijgt.”

De belofte is luxe, democratie de banale realiteit?

“Ja, dat verwijst sterk naar ons late kapitalisme. Alptekin is in die zin geen ‘Turkse’ kunstenaar maar een wereldburger, die zijn manier van denken deels ontwikkelde in Europa. Hij studeerde filosofie aan de Sorbonne met mensen als Jacques Derrida. Dat heeft hem heel sterk gevormd. Zijn filosofische basis vormde Alptekin als kunstenaar. Hij was een groot observator van de manier waarop de wereld verandert. Het meest actief was hij tijdens de jaren ‘90 en 2000 – een sleutelperiode in de geschiedenis na de val van de Sovjetunie. Toen begonnen er fundamentele maatschappelijke veranderingen. Globalisering en de geboorte van het neoliberalisme stammen uit die periode. Hij zag ondergrondse en wilde vormen van globalisering ontstaan door de mensen, producten en ideeën die vanuit de ex-Sovjetunie naar landen als Turkije stroomden. Veel daarvan was smokkelwaar…”

De befaamde bavul ticaret of kofferhandel die in de jaren 90 floreerde in Turkije…

“Namaak van luxemerken, waarin een belofte van luxe verborgen zit. Daar is hij heel geïnteresseerd in, en in de branding van die artikelen. Daarin belandt hij bij het verschil tussen realiteit en belofte. Heel symptomatisch voor die periode. De mobiliteit van objecten en mensen staat ook centraal in zijn werk.”

Is zijn werk kritisch? is het een politiek statement?

“Het is bedoeld ambigu, denk ik. Hij is meer geïnteresseerd in complexiteit dat in statements. Hij neemt nooit een zwart-witstandpunt in. De belangstelling voor zijn werk groeit omdat de complexiteit die Alptekin toont de momentopname overstijgt. Op sociaal-maatschappelijk vlak is zijn werk relevant: zijn kunst is niet theoretisch maar heel concreet. Tegelijk accepteerde Alptekin de wereld zoals die is. Een van de onderdelen van de expo is zijn werk rond depressie. Daar had hij zelf mee af te rekenen, maar hij beschouwde het als een productief iets, als een kweekbodem voor ideeën.”

Het expobeeld, de lichtreclameborden van hotels met plaatsnamen als Jalta en Istanbul, ademt ontheemdheid en melancholie.

“Het is een sleutelwerk voor het idee democratische luxe. Alptekin heeft jarenlang over de wereld rondgereisd en geobserveerd. Hij werkte als fotograaf voor een Frans persagentschap. Dit beeld is geïnspireerd door de goedkope hotels in Istanbul die genoemd zijn naar een exotische stad: Bagdad, Jalta… maar wat je ervoor krijgt is meestal een flee pit-hotel, een vlooienput. Die lichtbakken met hotelnamen ontwierp hij zelf. Het ontwerpproces komt trouwens aan bod tijdens de expo, naast de originele lichtboxen. Hij liet ze assembleren door professionele lichtreclamemakers.”

Wat zijn de highlights van deze expo?

“We proberen het hele oeuvre van Alptekin te bestrijken: sculpturaal werk, video, fotografie, collage… De hotelborden en het begrip Eurazië vormen het conceptuele middelpunt. De Duitse beeldend kunstenaar Joseph Beuys is een inspiratiebron, door zijn maatschappelijk geëngageerde Eurazië-performances die hij ook in Antwerpen bracht. Heel leuk is de verwijzing naar het nooit uitgevoerde project Sea Elephant Travel Agency, waarbij Alptekin de verhaallijn uit een van zijn favoriete boeken, Keraban de Koppige van Jules Verne, wilde naspelen door met een boot vol schrijvers en kunstenaars als een drijvende denktank langs de havensteden van de Zwarte Zee te varen. Alptekin heeft sterke connecties met andere kunstenaars die belangrijk zijn voor het M HKA, die invloedrijk maar ondergewaardeerd zijn. Denk aan Jimmie Durham, Chantal Akerman… Alptekin past in dat rijtje. Er zijn ook links met Marcel Broodthaers, een verwoed verzamelaar van alledaagse objecten. Of met Allan Sekula’s Dockers Museum, met voorwerpen die te maken hebben met havens en havenarbeiders.”

W.D.H

 

De Far West van het oosten

IMG_6493-bewerkt
Singing dunes, Altyn Emel NP, Kazakhstan © Peter Vancoillie 2014

Published in De Standaard 28.02.2015. Image 1-8, Altyn Emel National Park, Kazakhstan © Peter Vancoillie 2014 /9-13, Issyk Kul & Song Kul regions, Kyrgyzstan © Saskia Dendooven 2014

De helblauwe ogen van onze Russische ranger Michail blijven geduldig glimlachen. Ja, we zullen ze zien, die kuddes gazellen en wilde ezels. Zeldzame przewalskipaarden zijn er ook in Altyn Emel, Kazachstans grootste nationale park, maar daar mogen we niet bij. Geen gejengel van ons – of wat extra Kazachse tenges – dat daar iets aan verandert.

IMG_6429

We hoeven niet lang te pruilen. Wanneer twee bruinwitte schichten met onze jeep meeflitsen en pal voor ons de woestijnpiste kruisen, kijken ook onze kinderen op van de smartphone waarop ze net het laatste restje stroom verspelen. ‘Dzjeiran!’ brult Michail. Gazellen, rank en bliksemsnel. De dieren blijven in het kale roodgrijze landschap lang in ons blikveld. ‘Er wordt de jongste jaren veel wild uitgezet’, vertelt Michail als de opwinding is gaan liggen en de safari hervat.

IMG_6278

‘Binnenkort verhuizen er gazellen uit Altyn Emel naar het Oest-Joertplateau bij het Aralmeer. De overheid is de laatste jaren bewust bezig met natuurbeheer.’ Niet meteen wat je zou verwachten in een land dat ooit bekend stond voor zijn fall-out van atoomproeven, maar dat is het verleden. De zeldzame saiga-antilope, bijvoorbeeld, maakt enkel nog kans in de lege steppen van Kazachstan.

IMG_6989-bewerkt

Op onze roadtrip houden we het bij het zuidoostelijke hoekje van het gigantische land. De woestijn is hier soms knalrood, maar altijd spectaculair. Canyons doorsnijden stoffige vlakten. Het tuimelkruid bedekt Centraal-Azië van de Kaspische Zee tot in Chinees Turkestan, de lucht is al even intens blauw als Michails kijkers. Af toe drijven witte cumuluswolken langs, die boven de zinderende rotsen een regenbuitje laten vallen, genoeg om ons even wat verkoeling te brengen. De gebarsten grond wordt er niet minder droog om: dit is de Far West van het oosten.

IMG_7150-bewerkt

Er staat na de safari nog een attractie op het programma: het zingende zand. Honderdzestig meter hoog zijn de duinen, en de wind zandstraalt ons ongenadig in ons gezicht wanneer we langs de kam omhoogploeteren. En dan begint het gezoem. Het schuren van de zandkorrels produceert een galmend geluid, alsof de woestijn zelf een diep keelgezang voortbrengt. We laten ons van de duintop naar beneden glijden, zeker honderd meter diep. Het zachte zingen zwelt door ons gewicht op het zand aan tot het geluid van een straalmotor: een onaards lied dat ons middenrif doet vibreren. Onze dochter van tien trekt bleek weg. We moeten vertrekken, want Michail begint sterke verhalen op te dissen over een auto die werd opgeslokt door een modderstroom. Weglachen kan niet wanneer het begint te stortregenen.

IMG_7163

Paardenmelk

De voormalige Kazachse hoofdstad Almaty is de mondaine Big Apple van Centraal-Azië. De appel is trouwens het symbool van de stad. Langs de brede viervaksweg naar de stad beloven metershoge affiches dat het tegen 2030 moet gaan gebeuren met dit potentieel schatrijke land. Dankzij de olie, gas en een gewiekste neutrale politiek is dat ook stilaan het geval. Voor de gazellen van Altyn Emel is dat goed nieuws, voor de nieuwe Kazachse middenklasse ook. Achter de stad rijzen de witte toppen van het Tiensjangebergte lekker exclusief hemelwaarts. Vanop een bankje in het mooie Panfilovpark laten we ons imponeren door een grimmig sovjetoorlogsgedenkteken. ’s Avonds wordt een van de stadssnelwegen verkeersvrij gemaakt voor honderden fietsers. Koen en Laura, een stel Vlaamse fietsers op weg naar het verre Russische Vladivostok, worden er zowaar lyrisch van. ‘Fietsen wordt hier stilaan populair’, vertelt Koen, fotograaf en kunstenaar met een voorliefde voor sovjetkitsch. ‘In Bishkek is er zelfs een fietshotel voor langeafstandfietsers. Heerlijke plek om bij te kletsen in leuk internationaal gezelschap.’ We zwaaien hen uit, nog maar 6.000 kilometer stof en modder hebben ze voor de boeg.

IMG_7171-bewerkt

De reden om zoon (8) en dochter (10) mee te nemen naar dit stukje Centraal-Azië is een cadeau, het boek Sovjetwoestijnen en -gebergten. De foto’s zijn vergeeld, maar de verhalen leven nog steeds. Ze vertellen over geblakerde woestijnen, zoutmeren die schepen opslokken en 7.000 meter hoge bergen. Over jakken, Russische piloten en stoïcijnse nomaden. Zwaaiend met het boek vertellen we wilde verhalen over pootjebaden aan het strand van het azuurblauwe Issyk Kulmeer in Kirgizië en over echte kamelen, met twéé bulten, in de rode woestijnen van Kazachstan. De goedkope vlucht met Aeroflot geeft uiteindelijk de doorslag. Maar zouden onze stadsmussen wel zo dol zijn op koemis, de rokerige gefermenteerde paardenmelk van Centraal-Azië? En zouden ze geen kou vatten, in het zadel op de ijle bergpassen van de zijderoute?

IMG_6528-bewerkt

Op hotel in Karakol

In de zweterige bazaar van Almaty slaan we proviand in voor de rit naar Kirgizië, het tweede land op onze drieweekse. Aziatische gezichten lachen er gouden tanden bloot. Dezelfde gedroogde abrikozen en pruimen uit Tadzjikistan en Oezbekistan zijn aan het ene kraampje de helft zo goedkoop als verderop. We drinken er lekkere kvas: een ijskoud geserveerd gefermenteerd graandrankje, gezoet met honing. De verkoopster toont ons de bloemen waaruit de bijen hun nectar haalden. Of dit nu koemis is, vragen de kinderen. (Nee.) Wanneer we enkele uren later de Kirgizische grens oversteken op een winderige hoogvlakte, blijkt meteen dat dit land veel is wat Kazachstan niet is. Erg groen wel, maar het bescheiden buurland mist vooral de rijkdom en ambitie van de noordelijke buur – al maakt dat het wel sympathiek. Onze gastheer Taalai Janybekov is de beste gastheer in Karakol en de efficiëntste hotelier in Centraal-Azië. Karakol, het stadje met de naam als een Brussels weekdier in eigen nat, ligt vlakbij Issyk Kul. Vroeger heette het Przewalsk en het is befaamd om Nikolaj Przewalski, de grote negentiende-eeuwse ontdekkingsreiziger en veroveraar van de tsaar. De ‘vader van Stalin’ zoals veel Russen schijnen te geloven (ongetwijfeld door die opvallende snor) stierf aan buiktyfus in Karakol nadat hij in 1888 een slok had genomen van de Kara-Baltarivier (‘Drink nooit uit de Kara-Baltarivier’, we hebben het onze kinderen vaak ingepeperd).

KazachKirgizie_23

Joertencamping

Przewalski had in vergelijking met zijn tijdgenoten-generaals net iets meer respect voor Aziatische volkeren, maar niet heel erg veel. Russische kolonisten zagen, net als de blanke Amerikanen, de ‘natives’ vooral als een obstakel. Toch is er in Karakol een indrukwekkend museum aan hem gewijd. ‘Hij is van ons’, zegt onze gastheer Taalai beslist. In het museum aan de oever van het meer zie je de koloniale exploten van Przewalski, foto’s van besnorde leden van het Russische geografische genootschap, gravures van uitgehongerde expeditieleden in de woestijn en een opgezet przewalskipaard met last van haaruitval. Onze hotelier omringt ons niet alleen met alle egards, hij regelt ook enkele trips die ons het leuke oude stadje met zijn prachtige houten Russische kathedraal en nog andere plekjes in de Issyk Kulregio leert kennen. Utah en Wyoming in het klein is het, met zijn bergen met douglassparrenbossen, warme bronnen, kuddes wilde paarden en grillige rode rotspartijen in Jeti-Oguz. Wanneer Taalai ons twee dagen later afzet aan een afgelegen joertenkamp aan de meeroever voor onze strandvakantie, blijft hij nog twee uur naast ons staan wachten tot de uitbaatster opdaagt. We brengen een leuke tijd door aan het meer. Issyk Kul was ooit een populair vakantieoord met sanatoria en vakantiehuisjes met aanlegsteigers langs de noordelijke oever. Ons stoffige joertenkamp ligt geïsoleerd op de zuidelijke oever, het is vijf kilometer wandelen naar het dichtstbijzijnde dorp. Er is een houten veranda met een openluchtkeuken waar een kokkin grote porties lekkere laghman (een stoofpotje met noedels en schapenvlees) en oromo (Centraal-Aziatische groenekoollasagne) voor ons bereidt. Het is er prachtig en vooral doodstil.

141307_1500_Kirgizië

Pas op sleeptouw

Geen dure Kazachse hotels en permits, wel een uitgebreid netwerk van lokale gastenkamers, die je in elk stadje via een lokaal kantoortje vindt: ook dat is Kirgizië. Een van die gastenverblijven is bij Gulmira en haar man Abdurassul, een gepensioneerde rechercheur van de moordbrigade. In de boekenkast spot ik boeken van de schrijver Tsjingiz Ajtmatov. Weinig verwonderlijk, ex-Sovjetburgers zijn dol op literatuur. Ajtmatov was een van de bekendste Kirgizische schrijvers en was op het einde van zijn leven even ambassadeur in België. In hun tuin staat onze prachtige familiejoert. Er woont ook een paard, waar Gulmira en Abdurassul allebei bang voor zijn. Het steigert als we het benaderen en is duidelijk ooit erg slecht behandeld. Na twee uur zachtjes praten en lokken eet het uit onze hand en laat het zich onder de hals strelen. Het is niet voor het eerst dat we ons verbazen over de manier waarop Kirgiezen omgaan met paarden. Groot is onze frustratie wanneer Gulmira ons vertelt dat het dier twee weken later geslacht zal worden. We nemen de kinderen mee op paardentrektocht naar Song Kul, een Kirgizisch bergmeer op 3.000 meter hoogte. De paarden en lokale gidsen hebben we online geboekt. Hoe de paarden zullen reageren weten we niet, maar we zien wel dat zadel, bit en stijgbeugels helemaal niet lijken op wat we gewend zijn – we hebben elk vooraf wat lessen genomen. Dochterlief schiet in een stresskramp wanneer haar paard niet reageert op haar commando’s. Ze wil drie keer van paard wisselen. Gelukkig zit iedereen na een uur proberen, passen en paardenfluisteren in het zadel. Onze gidsen zijn goed gebriefd: ze kijken voortdurend achterom om te zien of we wel volgen. ‘Ik ben volledig verantwoordelijk voor jullie veiligheid’, had onze hotelier Taalai ons nog nageroepen bij ons vertrek. Waarschijnlijk heeft hij onze gidsen ook per gsm nog bevolen om ons geen seconde uit het oog te verliezen.

KazachKirgizie_52

Luxepaardjes

Het begint te regenen. Mijn brave vaalgele knol met rafelige manen neemt overal maaltijdstops. Ik gun hem het schrale gras. Dik zijn de Kirgizische paardjes niet en al ligt de echte hongersteppe over de Kungey Alataubergen in de stoffige vlakten van Kazachstan, ook hier is het geen vetpot. De toenemende islamisering heeft in dit deel van Centraal-Azië precies het punt bereikt waarop het aangenaam reizen is. Niet langer het losgeslagen wilde Westen van tien jaar geleden, en nog niet te conservatief. In Karakol pikten we – schoorvoetend – een terrasje mee tijdens de ramadan, maar geen wenkbrauw die fronste. Integendeel, de Kirgiezen namen er zelf ook eentje.

141707_0708_Kirgizië

Ook op de jailoos – de Kirgizische zomerweiden waar de witte vilten joerten van de nomaden staan, heerst een jolig vakantiesfeertje. Bij een mooie, witte joert krijgen we éíndelijk koemis aangeboden. Het smaakt zuur en rokerig. Ons kroost, gewend aan aardbeiensmaak, trekt een vies gezicht. Het paardrijden op de grasgroene steppe is een ongelooflijke ervaring. Iemand in ons gezelschap is ervaren en begint te galopperen. Wat een gevoel. Onze stadsbewonertjes spelen partijtjes voetbal met de nomadenkinderen. Roofvogels cirkelen in de blauwe lucht. In de steppe vol edelweiss, omringd door lage bergen, glinstert het Song Kolmeer. ’s Nachts is er sneeuw gevallen op de toppen. Het wordt al snel steenkoud, maar op de kachel in onze joert pruttelt de theepot. Op hun vilten matje dromen twee luxepaardjes wat later van plonzen in een indoorzwembad.

KazachKirgizie_04

Praktisch

– Met Aeroflot vlieg je vanuit Brussel al voor iets meer dan 300 euro naar Bishkek, Kirgizië. Voor andere bestemmingen in de regio betaal je minstens het dubbele. Vanuit Bishkek is het 180 kilometer naar Almaty, Kazachstan.

– Voor Kirgizië volstaat een geldige reispas volstaat, Kazachstan verplicht wel een visum, maar EU-burgers hebben sinds kort geen uitnodigingsbrief meer nodig. Verplichte visumregistratie als je langer dan vijf dagen blijft. Op http://www.kazakhembus.com vind je updates over de Kazachse reisformaliteiten.

– Voordelige gastenverblijven vind je in elke stad in Kirgizië via CBT (Community Based Tourism – http://www.cbtkyrgyzstan.kg ). Sommige lokale kantoren antwoorden snel per mail (Engels), andere niet. Ter plaatse vind je via de kantoren altijd logies. Duur voor excursies.

– Joertenkamp Issyk Kulmeer: Bel Tam Yurt Camp (cbt.kyrgyzstan.bokonbaevo@gmail.com, Engels). Paardentreks in Song Kol: Aidai Osmonalieva (aidai2602@gmail.com), spreekt Engels. Hotel en trips in Karakol en Noord- en Oost-Kirgizië, trekkings in het Tien Shangebergte: Taalai Janybekov (teskey@mail.ru), spreekt Engels.

– Kazachstan: wij lieten alles regelen door de specialist Stantours in Almaty (www.stantours.com ), uiterst betrouwbaar maar prijzig.

KyrKaz2015

Aral. De ronde van de woestenij.

Aralmeer © Koen Degroote
Aralmeer © Koen Degroote

In de zoetzure categorie ‘ik had het nog niet gedaan, dus deed het iemand anders het maar’ scoort het project Hansbeke-Vladivostok van Koen Degroote en Laura Bracke nogal wat punten, en daarom geef ik hier even mee waarover het gaat. Een fietstocht van 21.000 kilometer en zes maanden doorheen Oost-Europa, de Kaukasus, Centraal-Azië en Siberië waarvan nu, na de finish, alvast een expo/lezing overblijft in de Gentse Vooruit tijdens het Festival van de Gelijkheid http://www.festivalgelijkheid.be op 11 en 12 december. Koen en Laura vertellen er over de Oezbeekse regio Karakalpakistan, een oord van verdriet, giftige stofstormen, corrupte flikken en gastvrije mensen waar fietsen survival wordt.  Een dikke aanrader, want kunstenaar/fotograaf Koen Degroote is naast een zelfverklaarde Sovjetnerd met algemeen erkende Flandrienkwaliteiten (stampen tot ge niet meer weet van welke parochie ge zijt, zeg maar) als het op fietsen aankomt, ook een diep poëtische ziel, een uitstekende tekenaar en een spannende fotograaf. Respect dus, en tevreden dat we Koen en Laura deze zomer in Almaty, Kazachstan konden ravitailleren met een splinternieuwe velg en wat moeren en bouten om hun tocht zonder onderdelengeknars verder te zetten. Zo, toch een béétje gedeeld in de euforie van hun finish. Tиха едешь, дальше будешь (hoe trager je gaat, hoe verder je komt) is een bekend Russisch spreekwoord en nu ook de subtitel van het project Hansbeke-Vladivostok.

Fietsen als een trein op de Vennbahn

vennbahn

De Vennbahnspoorweg was ooit onze eigen Transsiberië-express: 125 kilometer over de taiga van de Oostkantons. Nu is het de langste doorgaande fietsroute in België, eind 2013 bekroond met de European Greenways Award. Wij gingen er treinstel spelen op zoemende elektrische fietsen.

WIELAND DE HOON / FOTO SASKIA DENDOOVEN

Bij Am Grünem Kloster is de Vennbahn op zijn weidst
Bij Am Grünem Kloster is de Vennbahn op zijn weidst

Gepubliceerd in De Standaard, 5 maart 2014

Op een vrolijke voorjaarsdag in het zadel, ergens op een Waalse heuvel, maken we er voor het eerst kennis mee: de e-bike. Een oud boerke met een klak, die ons voorbij zoeft alsof het niks is. Wat hadden we nu aan onze fiets hangen? Dát wilden we ook. Als experiment. Want een elektrische fiets, dat is iets voor zestigplussers. Om het te proberen, hoeven we er in ieder geval niet meteen drieduizend euro tegenaan te gooien. Tussen Aken en Troisvierges in Luxemburg ligt een gloednieuwe, biljartvlakke doorgaande fietsroute: de Vennbahn. Die zal ons brengen over de zompige venen en doorheen de grüne valleien van Duitstalig België. Dankzij de 28 verhuur- en oplaadpunten voor e-bikes in de Oostkantons, is dit een ideale route voor een try-out. Vlotjes reserveren we dan ook voor twintig euro per dag ons exemplaar, dat ons bovendien afgeleverd zal worden aan het startpunt in Aken.

Vennbahn: grenscuriosa bij Monschau

Eerst maar eens een wandelingetje in de stad. De voortekenen zijn bar en boos. Duivelse dampen prikkelen mijn neus bij de Pruisisch witte, achttiende-eeuwse Akense zwavelbaden. In de monumentale Domkerk laat de organist de gewelven galmen op een requiem. Met opgetrokken wenkbrauwen kijkt Graaf Ernst I von Sachsen-Gotha-Altenburg ons in restaurant Posthof vanop zijn gravure aan: een teken aan de wand. De uitstekende reebout laat zich er gelukkig wél smaken. Nog een Köstritzerbiertje, graag. De ober lacht vriendelijk, de barometer zakt. We voelen nattigheid: morgen gaat het tegen regen en wind in de Hoge Venen op. Is dit een goed idee? Erg bekend lijkt de Vennbahn niet: vrienden denken dat we naar Fantasialand trekken. Toch is deze ooit drukke spoorweg zo Belgisch als friet. Vanaf 1885 begon Pruisen met de aanleg, om de kolengebieden bij Aken te verbinden met de staalfabrieken in Ulflingen, zoals Troisvierges toen heette. Na de eerste wereldoorlog kreeg België de Vennbahn als compensatie toegewezen. Rond 1960 verloor de verbinding haar economisch belang en werd ze ontmanteld. Op de oude spoorwegbedding kwam er uiteindelijk een fietspad – tot verdriet van de liefhebbers van oude treintjes.

800px-Belgien1844

Aan het startpunt van de route bij het Akense station Rothe Erde komt Christoph van het toeristenbureau ons de e-bikes overhandigen. Het motregent gestaag. Christoph verklaart ons gek. Maar ondanks de grijze lucht blijkt de route al meteen Toll. Gestaag stijgend kronkelt de Vennbahn over negentiende eeuwse viaducten doorheen een landschap van weiden en bosschages. Abrupt verandert het uitzicht en komen we in het uitgestrekte Hürtgenwald terecht – de uitloper van ‘ons’ Hertogenwald vlak over de grens. De Vennbahn slingert als een zwart glanzende adder doorheen het groen. Het fietsen loopt als een trein. Hier en daar liggen nog intacte stukken spoor met afgedankte locs langs de voormalige, vervallen stationnetjes.

Batterij

Dat we op tijd van accu moeten wisselen, had Christoph ons op het hart gedrukt. Zo om de 45 kilometer. En dat we dat beter niet vergaten, want dat het hard trappen is op een elektrische fiets met een lege accu. En dat het eerst 38 kilometer vals plat is van Aken naar Roetgen. En dat de accu dan zeker leeg is. Wanneer we aankomen in Roetgen voor de eerste accuwissel, vertoont mijn energiemeter nog drie streepjes, die van de fotografe nog maar één. Eco, standaard, high of no assist: welke aandrijfstand je gebruikt, maakt een heel verschil.

De regen ruist en de e-bike zoemt. Doorheen de geurige bossen gaat het boterzacht richting Monschau. Om de 45 kilometer een verse accu is flauwekul, vertelt ons een sportieve veertiger met wie we aan de praat raken in één van de gietijzeren schuilstationnetjes. Minstens honderdtachtig kilometer actieradius heeft een moderne elektrische fiets, grijnst hij. Met 45 per uur geeft hij ons op zijn exemplaar het nakijken.

De Duits-Belgische grens en de Vennbahn vormen samen een raar ding. Bij Roetgen, Mutzenich en Küchelscheid fietsen we op een vijf meter smalle strook België die samen twintig kilometer lang over Duits grondgebied loopt. De Vennbahn bleef bij verdrag Belgisch grondgebied, omliggend territorium werd teruggegeven aan Duitsland. Boeren moesten op sommige plekken nog tot de jaren zestig twee keer per dag hun paspoort laten afstempelen om de koeien uit de wei te halen. Grenscuriosa heb je hier nog meer. De schrijver Benno Barnard beschreef de grenskronkels in Oost-België al in zijn boek Door God bij Europa verwekt. Hettaartpuntvormige ministaatje Neutraal Moresnet bijvoorbeeld, vormde tot 1919 een neutrale buffer tussen België en Pruisen. Op één van de vele infopanelen langs de Vennbahn staat een vooroorlogse foto met grenswachters uit Pruisen, België en Luxemburg. De Belgen en de Luxemburgers hebben een vriendelijke champetterpet, de Pruis een autoritaire pinhelm. Je wist al hoe laat het zou zijn in 1914.

Lastige Pruis (geen douanier - Feldmarschall Von Mackensen). Belgische douaniers hadden een vriendelijker hoedje in 1914.
Lastige Pruis (geen douanier – Feldmarschall Von Mackensen). Belgische douaniers hadden een vriendelijker hoedje in 1914.

Vennbahn: grenscuriosa bij Monschau

Fahren, fahren, fahren

De zon breekt warempel door. Die Fahrbahn ist ein graues Band, weisse Streifen, grüner Rand. Kraftwerks Autobahn vibreert lekker in ons hoofd terwijl we lekker los gaan over de vlakte. Het open veenlandschap bij am Grünem Kloster is, jawel, vijftig tinten ros. We peddelen doorheen de subarctische vergezichten verder naar het zuiden. Het zuiden? Treinbestuurders hadden op de Vennbahn het grootste deel van het jaar een radiator in hun stuurcabine nodig. In Sourbrodt ruikt het naar zaaghout, in Waimes naar woud. We passeren Sankt-Vith en zijn Heimatmuseum Zwischen Venn und Schneifel, boordevol zwart-witte archieffoto’s van deze spoorlijn met toch wel wat heroïsche trekjes. Voorbij Montenau is het afgelopen met het biljartgladde oppervlak en de felgekleurde rood-groene wegmarkeringen die je als fietser zo’n lekker souverein voorrangsgevoel geven. Tot de Luxemburgse grens krijgen we een strook gravel. Ook leuk. Dat we na alle Duitstalige perfectie opeens borden zien met La Wallonie construit, merci de votre patience is best wel grappig. Sankt-Vith en Neimeiden voorbij duiken we de Ourvallei in, een prachtig verlaten Eifeldal. Na de venen het tweede hoogtepunt van de route, wat ons betreft. In Burg-Reuland met zijn uienkoepelkerk en burchtruïne geurt het naar houtstoof. Een oude schuur staat tjokvol oude Trabantjes en Ford Taunussen. Het is allemaal nog België, maar ook al Centraal-Europa.

Bahnhof Lommersweiler. Hier werden de Vennbahntreinen regelmatig bekogeld door balorige dorpsbewoners (bron: www.zvs.be)
Bahnhof Lommersweiler. Hier werden de Vennbahntreinen regelmatig bekogeld door balorige dorpsbewoners (bron: http://www.zvs.be)

Taxi Heinz

Het laatste stuk Vennbahn ligt in Luxemburg. We krijgen weer een verhard wegdek. De leuke houten of ijzeren schuilhokjes en trendy fietsbruggen langsheen Vennbahn zijn overal klaar, de afwerking van het wegdek komt er over de hele lengte ook nog aan. De motregen dwarrelt alweer tussen de sparrentoppen bij de Buurgplaatz, het hoogste punt van Luxemburg. In het keteldal van Troisvierges staat de taximan ons bij het station al op te wachten. Heinz zit ook in ons e-bike arrangement. Van Troisvierges rijdt hij ons in een uurtje met fiets en al terug naar Aken. Hoe schön is dat?

Conclusie? Op een elektrische fiets voel je dat je fietst en dus een inspanning levert. Je wordt alleen lichtjes ondersteund met een vriendelijk zetje bij elke trapslag. Omdat regen en wind ook elders dan op de Vennbahn dwarsliggers kunnen zijn, werd tijdens onze rit een ander voordeel duidelijk. Tientallen kilometers vals plat met een volledige regenuitrusting aan en toch niet bezweet: een e-bike biedt ook tijdens de natte en koude maanden woon-werkperspectieven. Meewarige blikken van fietspendelaars op eigen kracht? Ach wat – jij hoeft tenminste niet de douche in. Nu alleen nog zo’n strakke wit-rood-groen gemarkeerde fietsexpressweg tussen Gent en Antwerpen of Brussel. Met heel veel bordjes. Zodat je net als op de Vennbahn het gevoel krijgt dat er als fietser om je gegeven wordt.

Praktisch

  • Elektrische fietsen huur je in de Oostkantons via het Toeristisch Agentschap Oost-België (‘Ost-Belgien’), www.eastbelgium.com. Je vindt op de site info over de Vennbahn, e-bikeverhuur, oplaadpunten en fietsvriendelijke verblijven onderweg. Info: info@eastbelgium.com
  • Wij reden op e-bikes van het Movelo-netwerk waarvoor we via Ost-Belgien 20 euro per dag en per fiets betaalden. Vanaf dit jaar biedt Ost-Belgien via een lokale partner nieuwe Trek LM500+ Lowstep e-bikes aan, verkozen tot e-bike van het jaar 2013.
  • Een taxi (minivan) van Troisvierges tot Aachen kostte 212 euro via Ost-Belgien.  Er kunnen tot acht personen en fietsen mee.De treinrit van Troisvierges naar Aken duurt minstens drie uur. Niet op elke internationale trein tussen Luik en Aken mogen fietsen mee. Een alternatief is starten/eindigen in Eupen (B) en inpikken op de Vennbahn in Raeren.
  • Alles over de Vennbahn, inclusief het grote fotoarchief waar de beelden op de Vennbahn-infopanelen vandaan komen, vind je in het Heimatmuseum Zwischen Venn und Schneifel in Sankt-Vith (www.zvs.be)
  • Zelf een elektrische fiets kopen: onder meer www.fiets.be biedt een ruim gamma aan van de betere Duitse en Zwitserse merken. Opladen doe je gewoon thuis in het stopcontact. De nieuwe generatie e-bikes weegt minder en is dus makkelijker hanteerbaar.

 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑