Zoeken

onkruid uit eurazië

rafelranden tussen hier en de Beringstraat

Lijnrecht doorheen Groot-België (4): van Coriovallum tot Colonia Claudia Ara Agrippina

Km 403 – Heerlen (Coriovallum)

Duits-Nederlands grensgebied bij Ubach Palenberg
De vlakte richting Düren en de Eifel

De Rijn komt in zicht. Dat zou wel moeten vanop de Carl Alexanderberg. De 200 meter hoge beboste heuvel, net over de Nederlands-Duitse grens, belooft ons een Via Belgicaturm en een uitzicht over de Romeinse weg. Net zoals, eens, vanop de hoogten van Castellum Menapiorum (zie deel 1). Maar het is 35 graden en de puf is eruit, dus we laten de klim aan ons voorbijgaan.

De voormalige stortberg is een aanlokkelijk baken in het vlakke landschap. “De bruinkoolwinning is een zegen voor de archeologische opgravingen hier”, zegt Christoph Fischer van het Museum Zitadelle Jülich. “Er zijn nu drie open putten waar onderzoek plaatsvindt, zoals in de gigantische Tagebau Hambach.” Hele dorpen werden ervoor ontruimd, maar er werden heel wat vondsten gedaan. Op de hoogste berg, de Sophienhöhe (302 meter) net voorbij Jülich, staat een Romeinse nepwachttoren. Het is een bizar landschap. De oorspronkelijke Via Belgica ligt hier onder honderden meters bruinkoolafval. Temidden van de saaie velden vol windmolens zijn de heuvels een onverwacht voorproefje van de aan de zuidelijke horizon lonkende Eifel.

De askist van Simpelveld. Is het Juno?

Waar bruinkool dit stuk Noordrijn-Westfalen zijn industriële smoel gaf, regeerde ooit steenkool in de voormalige Zuid-Limburgse mijnstad Heerlen. Daar zijn we vanmorgen onze laatste etappe gestart. In Coriovallum bouwden de Romeinen een groot badhuis. Het was een druk kruispunt: heerwegen leidden naar Tongeren en Keulen maar ook naar Xanten (het machtige Castra Vetera) en Trier (Augusta Treverorum), buitenposten voor telkens weer nieuwe, tot mislukken gedoemde Romeinse invasies van Germania Magna: de langharige, woeste oostelijke Rijnoever.

Karen Jeneson, Thermenmuseum

Thermenmuseum

Het moet in Coriovallum een stevig komen en gaan geweest zijn van militaire transporten. “Legionnairs van het Legio V hebben dit badhuis gebouwd”, beaamt conservator Karen Jeneson van het Thermenmuseum, de grootste Romeinse opgraving van Nederland. “Het stond er in eerste instantie voor hun officieren.” Het ingenieuze badhuis met zijn laconicum, tepidarium en caldarium, verwarmd door een hypocaustum, is volledig overkapt. Met de prestigieuze renovatie van het museum wil de voormalige mijnstad Heerlen zijn Romeinse verleden op de kaart zetten.

De Via Belgica in Coriovallum
Sophienhöhe vanuit Jülich

“In de negentiende eeuw hielden vooral rijke mijnbouwers of priesters zich bezig met amateurarcheologie”, zegt Jeneson, die zelf voor haar doctoraat vijf dagen over de Via Belgica stapte van Tongeren naar Keulen. “In 1877 groef een kapelaan hier een beeld van een godin op, duidelijk inheems. Ik vind de Heerlense Minerva één van onze meest fascinerende stukken. Zulke vondsten kwamen vroeger terecht in het Rijksmuseum in Leiden, maar sinds we in 1975 in Heerlen een eigen museum hebben, zetten we onszelf op de kaart als Romeinse stad.” Mét de instemming van de Zuid-Limburgse ondernemers, die gretig mee op de carrum springen van de Gallo-Romeinse citymarketing. Made in Coriovallum levert hier een cent op. Het VIA-project is een voorbeeld van hoe toerisme en horeca (“Proef onze Romeinse speltpannekoekjes”), maar ook cultuur, technologie, design en kleinschalige landbouw archeologie hier wat aantrekkelijker maken voor een ruimer publiek.

Brug A29 Haanweg, Landgraaf

Als fietsroute laat de Via Belgica ons tussen Heerlen en de Duitse grens lelijk in de steek. Eigenlijk is dat al zo sinds Maastricht. Geen rechte stukken, weinig onverhard door veld en bos, wel woonwijken en drukke verkeerswegen met on-Nederlandse moordstrookjes in plaats van een fietspad. We wanen ons bijna weer in Valenciennes, op de treurnis en de glasscherfjes na. Maar voorbij de terrils van Landgraaf doen we op de Haanweg onder de brug van de A29 een leuke ontdekking. De complete binnenkant van de brug is één groot kunstwerk gewijd aan de Via Belgica, een project van de Landgraafse stichting Linea Recta. We zitten hoe dan ook op het juiste spoor. Het landschap ontvouwt zich vanaf hier aangenaam Romeins heuvelend richting Rimburg.

Hier en daar onverhard, vooral voorbij Jülich

De dorpjes in de buurt hebben indrukwekkende vondsten op hun conto staan. In de onvolprezen vierdelige Geschiedenis van de lage landen uit 1970 van meesterverteller Jaap Ter Haar, beschrijft hij de askist van Simpelveld, vervaardigd uit zandsteen met daarin een door een treurende echtgenoot voor zijn overleden eega gebeitelde opdracht: IVNONI MEAE – aan mijn Juno. “Een kundig beeldhouwer – wellicht uit Keulen – kreeg opdracht de binnenkant met reliëfs te versieren”, beschrijft Ter Haar. Op de ene wand heeft hij een vrouw uitgebeiteld. “Ze ligt op een rustbed. Half opgericht kijkt zij rond. Is het Juno?” De vrouw is omringd door huisraad, haar vertrouwde omgeving. “De liefde van Juno’s man moet groot geweest zijn, besluit Ter Haar nog.De askist – te zien in het Thermenmuseum – werd in 1910 aan de Stampstraat in Simpelveld gevonden. 

Km 438 – Jülich (Iuliacum)

Voorbij de grensbeek de Wurm, op weg naar Jülich (Iuliacum), blijven we hier, op de linker Rijnoever gewoon in Gallia Belgica. De Rijn was ook na de Romeinse tijd wel vaker ‘onze’ oostgrens. Het Frankische koninkrijk Lotharingen omvatte België én het Rijnland. Het latere hertogdom Gulik (1356-1794) was een Limburgs overgangsgebied. Het mooiste was misschien nog de kortstondige, door het revolutionaire Frankrijk opgerichte Cisrheniaanse Republiek waarin Gulik opging. Die bestond tussen 1797 en 1802 bakende Frankrijk netjes af met de Rijn tot aan de Nederlandse grens. Ook de Frans-Belgische bezetting van het Rijnland herstelde de Romeinse limes in ere: na 1800 jaar was de Rijn weer even de Gallische oostgrens. Caesar zou, welja, gegrijnsd hebben. Natuurlijk is het idee van een Groot-België al even pokdalig als de Via Belgica zelf, het leidt al snel tot begrippen als Heel-Nederland of de Dietsche Gedachte. Irredentisme leent zich wel uitstekend tot vrijblijvende zomerse bespiegelingen.

Het hertogdom Gulik onder keizer Karel: Duitstalig België had bijna tot de Rijn kunnen reiken

Dat Duitsland zijn deel van de Via Belgica serieus neemt, bewijzen maar liefst drie infopanelen en warempel een uitgezette VIA-fietsknooppuntenroute. Tussen Ubach-Palenberg en Jülich is het tracé van de Via Belgica een rommeltje, al komen we in Baesweiler een oude bekende tegen: de Brünestraße brengt ons even terug op de Chaussée Brunehaut.

Het kleine Museum Zitadelle Jülich is ondergebracht in de zestiende eeuwse citadel van de hertogen van Gulik. Er is een speciale Erlebnisraum Via Belgica ingericht. We besnuffelen de interessante sokkel van een Jupiterzuil met het opschrift Iuliacum – een bewijs voor het bestaan van deze vicus tussen Heerlen en Keulen. Christoph Fischer toont ons een levensgroot model van de Romeinse heerweg, die tot 24 meter wijd kon zijn: zo breed als een moderne snelweg dus. “In deze streken niet met plavuizen, wel verhard met lokale materialen als grint en leemklei. Voor de research werken we samen met de musea van Keulen, Aachen en ook Heerlen”, zegt Fischer. “En we hebben ook een goeie samenwerking met de bruinkoolexploitanten.”

Christoph Fischer toont een replica van de originele Via Belgica

Replica van een Jupiterzuil aan de Sophienhöhe

Geen leemklei voor onze bandjes voorbij Jülich, wel weer een paar mooie stukken ouderwets kaarsrechte en fijn fietsbare stukken Via Belgica met grint of betonplaten, naar Elsdorf en zo verder naar  Bergheim. We passeren bij de Sophienhöhe zelfs een groepje van viér mijlpalen, waarvan één Romeinse: een replica van de Meilenstein van Zülpich, opgericht onder keizer Constantijn (306-337) en de enige in Duitsland. Mijlpaalporno!

Dan is het uit met pret. We naderen Keulen, maar hier moeten we weer zelf de knopen aan elkaar breien, tot we op de drukke Aachener Straße belanden en daarmee definitief op het centrum van Keulen afstevenen. In Weiden passeren we de indrukwekkende Romeinse grafkelder Römergrab Weiden: niet te missen, maar net gesloten. En dan bereiken we aan het eind van die lange, lange oost-westas, de Keulse decumanes maximus, eindelijk de Rijn.

Km 485 – Keulen (Colonia Claudia Ara Agrippina)

Dat het Keulse stadplan nog zo duidelijk Romeins is, is te danken aan de ingenieurs van generaal Marcus Vipsanius Agrippa (63 v.C.–12 v.C.). Die persoonlijke vriend van keizerAugustus wilde vanuit Keulen snel twee grote militaire verbindingen zien verschijnen, naar de Gallische hoofdstad Lyon (via Trier en Metz), de tweede naar Boulogne. Agrippa liet metingen uitvoeren, schreef de Commentarii geographi en liet in zijn porticus een wereldkaart aanbrengen.

CCAA. De decumanes maximus naar het westen is duidelijk zichtbaar.
Marcus Vipsianus Agrippa

Een man naar ons hart, want aan Vipsianus hebben we uiteindelijk onze fietstocht te danken. En de stad Keulen haar naam, want zijn schoondochter heette Agrippina. Wat je noemt een royal: ze was tegelijk de zus van de gekke Caligula, echtgenote van de stotterende Claudius en de moeder van de moorddadige Nero. In AD 50 werd de stad die eerst Oppidum Ubii – het fort van de Ubiërs, de hier wonende stam – heette, ten slotte naar haar genoemd: Colonia Claudia Ara Agrippina of kortweg CCAA. Voor de doorsnee Gallo-Romein zal een tripje naar CCAA toch zoiets geweest zijn als voor ons een vlucht naar JFK: hoe dan ook lichtjes indrukwekkend.

Rhenus, CCAA
Rhenus, CCAA
Het Römisch-Germanisches Museum

In het Belgisches Haus aan de Keulse Cäcilienstrasse eindigt onze reis. De tijdelijke expo van het renovatiewerken gesloten Römisch-Germanisches Museum is er ondergebracht. We worden opgewacht door een eskadron vrouwelijke geüniformeerde suppoosten, blonde Keulse dames die ons met vaste hand formeel van de ene naar de andere zaal regisseren. Het is een mooie afsluiter. Votiefstenen, een Nehalennia-altaar, terracottareliëfs van Gallo-Romeinse matrones met Ubische kapsels, een grafsteen voor het achtjarige meisje Bella uit Dururocortum. Een erehaag van Romeinse keizerkoppen doet ons uitgeleide.

Grafmonumenten voor het meisje Bella (l.) en slavenhandelaar Gaiacius (r.)

De Via Belgica eindigt voor ons met een half litertje Hellers Weizen op het terras van het Bootshaus Albatros, mét uitzicht op de Rijnbruggen. Op de rivieroever liggen de strandjes vol. Onder een brugpijler wordt een feestje gebouwd, mondkapjes zijn er niet te bespeuren.

Römerturm, CCAA
Römerbrunnen, CCAA

We fietsen er in een boog omheen en denken aan het verste punt vanaf Rome waar een inscriptie van een legionnair werd gevonden. IMP DOMITIANO CAESARE AVG GERMANICO LVCIVS IVLIVS MAXIMVS LEGIONIS XII FVL, luidt het opschrift. Onder keizer Domitianus, Caesar, Augustus Germanicus, Lucius Julius Maximus, Legio XII Fulminata. Vindplaats: Qobustan, 69 kilometer ten zuiden van de Azerbeidzjaanse hoofdstad Bakoe.

Lijnrecht doorheen Groot-België (3): van Geminiacum tot Coriovallum

Km 274 – Liberchies (Geminiacum)

Stof en onafzienbare graanvelden. Tongeren ligt een lange dagrit achter de horizon wanneer we op een zonnige ochtend op de trappers gaan staan in Liberchies bij Charleroi. De open vlakte katapulteert ons meteen tweeduizend jaar terug in de tijd. Op weg van de Noordzee naar de Rijn liet je voorbij Geminiacum het duistere Kolenwoud – de Silva Carbonaria – achter je. De kaart Belgii Veteris Typus (1584) van de Antwerpse cartograaf Abraham Ortelius schetst nog de contouren: overblijfselen zijn het Forêt de Mormal, het bos van Houssière, het Hallerbos, het Zoniënwoud en het Meerdaalbos. Hier begon het Texas van Gallia Belgica, waar verspreide herenboerderijen zorgden voor een constante aanvoer van vee en landbouwproducten voor de Rijnlegioenen.

Belgii Veterus Typus (1584)
Liberchies

Omdat we op deze etappe nauwelijks door dorpen fietsen, lijkt dit ook het meest authentieke stuk, al is er soms écht niets meer te zien. Op het dorpsplein van Liberchies is het lokale museumpje voor onbepaalde tijd gesloten. Toch is Geminiacum een parel aan de kroon van de heerweg. “In 1970 werd hier een muntschat van 368 gouden Romeinse munten ontdekt”, zegt Johan Deschieter van Archeosite Velzeke. “Liberchies en het één dagmars verderop gelegen Braives (Perniciacum) zijn twee vici die uitgebreid gedocumenteerd werden, door de universiteiten van Leuven en Louvain-La-Neuve. Voor ons archeologen zijn die onderzoeken vaste referenties.”

De vicus Geminiacum, nu het gehucht Brunehaut bij Liberchies

Liberchies-la-Romaine – we geven het bakstenen dorp graag zelf de eretitel – heeft de toevallige bezoeker voorlopig niets te bieden, ook al stond er in het nabije gehucht Brunehaut een castellum van 54 bij 45 meter. Het Romeinse Rijk bestaat hier alleen nog in onze blik. De verlaten heerweg is als een tussentijd, met enkel een rechtlijnig baken naar de einder dat ons grip moet geven op een complexe antieke wereld. Alle figuranten eruit zijn weergekeerd tot het stof op het wegdek. De zomerse bries blaast kaf en twee millennia stilte in ons gezicht.

De N5 Brussel – Charleroi

De wrede N5 bij Les Bons Villers hakt de Via Belgica genadeloos in twee. We raken er met kunstgrepen, acrobatie en Google Streetview overheen. Daarna fietsen we weer verkeersvrij tientallen kilometers verder, meestal offroad over met telefoonpalen afgelijnde aardewegen. Een enkele afspanning, zoals de eenzame Brasserie de Bertinchamps, biedt beschutting tegen de zomerhitte. Een welgekomen mansio (wisselplaats) langsheen de Via Belgica.

Km 332 – Braives (Perniciacum)

Na Gembloux verschijnen er bochten in de weg en duiken de eerste tumuli op. Puisten in het landschap zijn het, hoge grafheuvels begroeid met loofbomen. Ze dateren meestal uit de eerste eeuw, al zijn hier ook grafvelden uit de Brons- en de Ijzertijd te vinden. De grafheuvels werden aangelegd naast de nieuwe weg Boulogne-Bavay. De Civitas Tungrorum is ermee bezaaid. Wanneer we de 11 meter hoge en 50 meter brede tumulus van Hottomont passeren, besluiten we doorheen het omliggende aardappelveld een kijkje te nemen.

De Via Belgica tussen Sombreffe en Gembloux

We klauteren tussen de boomwortels en dor gras naar boven. Handige uitkijkpunten waren deze tumuli zéker. In het reisverslag Voyage de Philippe de Hurges à Liége et à Maestrect en 1615, klinkt het zo: Les motes servent encore à ceux du voisinage […] et à ceux qui cerchent les levées [les routes] ou qui sont perduz ou esgarez en leur chemin, en sorte que, les voiants, ils se recognoissent aussitost et voient où ils doibvent tirer, si bien que si l’on n’est sot, yvre ou aveugle, on ne se peut perdre ny fourvoyer, de jour ou au clair de la lune, en ces cartiers. Je moest dus al gek, dronken of blind zijn om hier te verdwalen.

Op weg naar de brasserie van Bertinchamps
Tumulus van Hottomont
Via Belgica vanop de tumulus

De veldweg slingert zich traag verder oostwaarts doorheen het tumulilandschap. Na Awenne en Braives neemt het asfalt het definitief over, waarna vanaf het kruispunt met de Route de Namur in Hannut de Via Belgica de steeds drukkere N69 wordt – helemaal tot in Tongeren. Vanop de Romeinse Kassei in Koninksem met zijn ruilverkavelingen lijkt hij op een grote molshoop, maar warempel: de allerlaatste tumulus die we passeren is mooi boomloos en toont dus zijn originele staat.

In de buurt van Perniciacum (Braives)

Km 362 – Tongeren (Atuatuca Tungrorum)

Ambiorix, Tongeren

Ambiorix en zijn Eburonen – de oorspronkelijke Keltische bewoners van de streek – bezorgden Caesar een paar slapeloze nachten. De arme Morinen en Menapiërs in het westen waren guerillastrijders die zich verscholen in de bossen en moerassen van de Boulonnais en de Vlaamse vlakte. Maar Ambiorix met zijn korte lontje had het niet zo begrepen op Romeinse belastingontvangers. Hij ontketende in 54 v.C een geweldige opstand waarbij een heel Romeins legioen en vijf cohorten in de pan gehakt werden. Caesars wraak was – uiteraard – gruwelijk: de Eburonen werden als stam van de kaart geveegd. Tongeren groeide na de opstand van de Eburonen wel uit tot de enige echt grote Gallo-Romeinse stad (municipum) tussen Keulen en Boulogne. Binnen de 4500 meter lange verdedigingsmuur uit de tweede eeuw was de stad een stuk groter dan tijdens de middeleeuwen.

Geen mijlpaal, wel een itinerarium: in Tongeren vond men op de Via Belgica deze afstandentabel. Je kan nog Durocorter (Dururocortum – Reims) en Samarabriva (Amiens) onderscheiden.
Romeins Tongeren

We vergapen ons in het Gallo-Romeins museum aan de grote maquette van het Romeinse Tongeren. De museumcollectie is indrukwekkend. “Tongeren was in de eerste plaats een markt, een forum, met een tempel, een Jupiterzuil, een basilica…”, zegt conservator Guido Creemers. “Vermoedelijk was hier ook een enorme, stoffige en slijkerige veemarkt. De nabijheid van de toen nog bevaarbare Jeker, was ook cruciaal voor transporten: met platbodems kon je makkelijk de Maas bereiken.” De Tungri, de gemengde Germaans-Romeinse bevolking die de plaats van de Eburonen innam, hadden een krijgszuchtige reputatie. “In het Noord-Engelse fort Vindolanda, bij de Muur van Hadrianus, zaten Tungrische cohorten”, zegt Creemers. “Tongeren zelf had geen groot garnizoen, we hebben hier weinig militaria gevonden. Maar we willen er met een volgende expo wel aandacht aan besteden.”

Guido Creemers

Tongeren had de legioenen uiteindelijk niet nodig. In tegenstelling tot Bavay, dat andere Via Belgica-knooppunt, vond Atuatuca Tungrorum zichzelf na hun vertrek opnieuw uit. De stad werd in de vierde eeuw het vroegste christelijke centrum van België, dankzij de eerste bisschop in de Lage Landen: de Armeniër Servatius. Het had allemaal nog mooier kunnen zijn: Servatius verkaste naar het veilige Maastricht, de bisschopszetel uiteindelijk naar Luik. Bovendien was het toen ook uit voor Tongeren als belangrijk handelscentrum.

Romeinse weg, Herderen

Km 379 – Maastricht (Mosa Trajectum)

Mosa Trajectum

Tongeren luidde op weg van west naar oost de bewoonde wereld in. Ook het karakter van onze eigen trip verandert. Het landschap raakt dichter bevolkt, de wegen worden drukker. In de Romeinse tijd lagen de villa’s en vici richting de Rijn van hier af aan plots een stuk dichter bij elkaar. We volgen de Romeinseweg via Herderen naar Riemst, waar de lokale schepen voor Heemkunde Peter Neven de Via Belgica op de kaart wil zetten. Het voorbeeld ligt voor de hand: het project viabelgicadigitalis.nl brengt in Nederlands-Limburg elke gemeente langs de Via Belgica in kaart. Daar wil Riemst bij aansluiten. “Bij ons wil dat voorlopig niet lukken”, zegt de Tongerse stadsarcheoloog Dirk Pauwels. “Het is vooral een bevoegdhedenkwestie. Het Gallo-Romeins museum is sinds 2018 een stedelijk museum, maar er zijn ook de provinciale en Vlaamse niveaus … en dan komen er voor een project als de Via Belgica ook over interregionale én internationale samenwerkingen kijken. Bovendien zet Toerisme Limburg momenteel liever in op de nieuwe Fruitspoorroute tussen Tongeren en Sint-Truiden.”

De Geul bij Valkenburg

Dit moet het rijkste deel van Gallia Belgica geweest zijn: het aantal Romeinse villa’s, vaak gebouwd door veteranen van het legioenen als het Legio I Germanica of het Legio XV Primigenia die hier een lap grond kregen langs de Jeker en verderop langs de Geul, is groot. Het villalandschap vertoonde meer Gallo-Romeinse chic – zeker op het vlak van afmetingen van de gebouwen – dan in het westen. Terra sigillata (gestempeld rood aardewerk), glaswerk, olijven en wijn uit het Middellandse Zeegebied vonden hier een kapitaalkrachtiger publiek dan dichterbij de kust, waar moeizaam gewonnen zout en schapenwol van de Menapische armoedzaaiers de belangrijkste ruilmiddelen waren.

Als we de Maas oversteken bij Mosa Trajectum, moeten we even voorbij de massa’s shoppers kijken die zich hier verdringen op de terrasjes. Maastricht had een belangrijk Romeins castellum, een Jupitertempel – de fundamenten liggen nu onder een hotel – en een vernuftige houten brug, maar daar is op het eerste gezicht geen spoor meer van te bekennen. Gelukkig staan er in het Griendpark nog twee brugpijlers uit 1931 van de in 1940 opgeblazen Wilhelminabrug, met daarop een Art Decobeeldhouwwerk genaamd Intocht van de Romeinen in Mosa.

Km 403 – Heerlen (Coriovallum)

Navigeren richting Meerssen en Valkenburg blijkt lastiger dan we dachten: ondanks de viabelgicadigitalis is er niet zoiets als een doorgaande VIA-fietsroute. Gelukkig volgde de oude Romeinse weg het Geuldal, waar we op de rechteroever een mooi bospad naar Valkenburg vinden. We passeren een paar mergelgrotten en drukke campings, terwijl affiches langs de weg ‘Rust Ruimte Romeinen!’ aanprijzen. In één zo’n mergelgrot opende in 1910 in Valkenburg een toeristische attractie van formaat: de Romeinse Katakomben, een exacte kopie van de ondergrondse graven van de eerste christenen uit Rome.

Geulvallei: mergelwal

Tijdens een normaal jaar zou het hier vollopen met toeristen en ook in een abnormaal jaar als 2020 is dat zo. Dit is dan ook het epicentrum van zuiders Nederland, met zijn zonnige heuvelflanken met hun kalkrijke bodem die zelfs wijngaardjes verbergen. De Romeinse schrijver Plinius de Oudere vermeldt in zijn Naturalis historia al dat de lokale marga (mergel) uitstekende meststof was. We wringen ons tussen het verkeer door op de weg naar Klimmen. Achter de hoge heuvel in het land van Maas en Geul, wacht ons de echte Gallo-Romeinse schatkamer van Zuid-Limburg: Coriovallum.

Lijnrecht doorheen Groot-België (2): van Turnacum tot Geminiacum

Etappe 2: Turnacum – Geminiacum

Doornik, Gallo-Romeinse poort
Doornik, middeleeuwse kalkovens langs het Scheldejaagpad
Doornik, kasseien

Km 166 – Doornik (Turnacum)

In de velden bij Lesdain, tien kilometer voorbij Doornik, staat de Pierre Brunehaut. Een massief blok van donkergrijze zandsteen, de grootste menhir van België, 4500 jaar oud. Het is een prehistorische trompe l’oeil: afhankelijk van de hoek ziet hij eruit als een omgekeerd guillotineblad, de Dinantse Rocher Bayard of een grijze vinger. Opvallend zijn de vroeg-negentiende-eeuwse graffiti en de verweerde kogelgaten: musket- of mitrailleurkogels, wie zal het zeggen. Voor wie erop let, is de Pierre Brunehaut een magische plek waar prehistorie, oudheid en moderne geschiedenis verwaaien in de eeuwige, vochtige westenwind.

Pierre Brunehaut, Hollain
4500 jaar oude megaliet
De Pierre Brunehaut naast de Romeinse heerweg

De Romeinse heerweg is hier een vaag aardeweggetje. We hobbelen het veld in richting Schelde. Om vanaf de Gallo-Romeinse poort van Doornik de weg te vinden naar de Franse D68, het eerste intacte stuk van de Via Belgica, heb je méér nodig dan je gps. Op de rotonde van de Route de Condé in Nivelle, lijkt de weg zelfs verdwenen – tot we achter een rij afvalcontainers een nauwelijks zichtbaar paadje spotten dat het bos in leidt. Het smalle spoor vol modderplassen langs de noordkant van het Woud van Wallers is nauwelijks fietsbaar. Toch heet het ook hier Chaussée Brunehaut. Bijna alle stukken Romeinse heerweg in Wallonië en Noord-Frankijk heten zo. Het is er de straatnaam met de meeste strekkende kilometers.

Sectie Via Belgica doorheen het bos van Wallers
Wallers: de route is nauwelijks begaanbaar
Wallers: klein stukje geasfalteerde parallelweg met de Chaussée Brunehaut

“Brunehaut” heeft zijn oorsprong in Brunehilde (of Brunichilde) van Austrasië (534-613), een Visigotische prinses. Onder haar bestuur werden de oude Romeinse wegen weer opgelapt, hoewel de kans groot is dat ze er zelf niets mee te maken had. Hoe de regentes aan haar einde kwam (en de Chaussées Brunehaut aan hun naam), spreekt tot de verbeelding. Ze schijnt naakt op een kameel gezet te zijn op bevel van de misogyne Frankische vorst Chlotarius II, maar na drie dagen van daaropvolgende folteringen, gaf de arme Brunehilde nog steeds tekenen van leven. Daarop werd ze met haren, hand en voet aan een wilde hengst gebonden en door het land gesleept. De chaussées Brunehaut zijn de sporen die haar schrapende ondergang heeft nagelaten – en waar haar lichaam werd teruggevonden, staat nu de Pierre Brunehaut.

De Via Belgica bakent haarscherp de noordoostkant van het bos van Wallers af

Een andere bron vermeldt een Belgische koning Brunehaldis. De Franse archeoloog Nicolas Bergier uit Reims (Histoire des grands chemins de l’Empire romain, Paris, 1622) brak er zich het hoofd over, net als zijn latere evenknie Grégoire d’Essigny (Mémoire sur la question des voies romaines, vulgairement appelées Chaussées Brunehaut, qui traversent la Picardie, Amiens, 1811). Duidelijk is wel dat het met Brunehildes meestal slecht afloopt. Brünnhilde, de walküre uit het Nibelungenlied (Duitsland, 13e eeuw) verliest haar ring en zijden gordel, later gebruikt als het bewijs voor haar overspel. Alleen met Broomhilda uit Quentin Tarantino’s Django Unchained (Hollywood, 2012) komt het uiteindelijk nog goed.

Km 224 – Bavay (Bagacum Nerviorum)

Intussen ‘fietsen’ – nuja- we het bos van Wallers door. Het lijkt Parijs-Roubaix wel, maar de kasseien zitten aan de zuidkant van het woud: wij krijgen alleen het slijk. Na nog meer geploeter komen we uit in de buitenwijken van Valenciennes. Leegstand, verval en glasscherven op de rijstrook. Richting Estreux raken we uit de ellende en na Eth steken we alweer de Frans-Belgische grens over. Voor ons strekt zich de Via Belgica uit doorheen de korenvelden, hier als Rue de la Ligne. Op het huisnummer 1, het Cabaret de la Houlette, vond in 1795 een akelige massamoord plaats. De roversbende Les Chauffeurs du Nord onder leiding van ene Moneuse, stak tijdens homejackings de voeten van bewoners in het haardvuur tot ze prijsgaven waar hun goud verstopt lag. In La Houlette liep dat fout en werden vrouwen, kinderen en baby’s met sabels in stukjes gehakt. Dit is dan ook best een eenzaam stuk van de Chaussée Romaine, met enkel hier en daar een naargeestige hoeve langs de weg. De roversverhalen worden tastbaar door de achttiende-eeuwse Frans-Oostenrijkse grensstenen langs de weg in het gehucht La Flamengrie: iets of wat boef glipte vlotjes de grens over.

Cabaret de la Houlette, crime scene uit 1795
Oostenrijkse grenspaal – La Flamengrie

Vanuit Bavay vertrekt het enige diverticulum (zijweg) dat toeristisch wordt gepromoot: de heerweg naar Velzeke. Langs die heirbaan vind je ook de archeosite Aubechies met haar replica van een Romeinse villa. “Onze Romeinse weg lag voor de hand als basis voor meer samenwerking met de Belgen”, vertelt directeur Véronique Beirnaert-Mary van het Forum Antique. “Over de grens heen zetten we al tien jaar samen tentoonstellingen en evenementen op. Zo geven we het publiek een totaalbeeld van de regio. We kregen gisteren nog een groep Vlaamse wielertoeristen over de vloer. Ik weet dat er in België voorstanders zijn van een UNESCO-label voor de Via Belgica, maar de weinige historische overblijfselen maken het moeilijk. Op Europese schaal beweegt het wél om het Romeinse wegennetwerk te beschermen. Ik hoop het, want wat we hier in Bavay doen, is belangrijk om onze inwoners ervan bewust te maken dat de Romeinen van Bagacum hun voorouders zijn. En dat dat je die tijd nieuw leven kunt inblazen.”

Bavay, Romeins kapiteel
Bavay, Romeinse godenbeeldjes
Bavay, Forum Antique
Bavay, omwalling gebouwd na de Germaanse invallen van de 3e eeuw

Km 253 – Waudrez (Vodgoriacum)

Na dertig kilometer (een dagmars) mooi heuvelende Romeinse weg – mét een overblijvend stukje Kolenwoud of Silva Carbonaria bij Malplaquet – komen we in één stuk aan in Waudrez.

De Via Belgica bij Malplaquet, bekend om de veldslag uit 1709

In de vicus (nederzetting) Vodgoriacum is de Statio Romana het lokale Gallo-Romeinse museum. Tijd voor een paardenwissel en een kruik Cervoise (Gallisch bier) of Hydromel (honingaperitief). Curator, president en Romeins sénateur Philippe Dekegel bestijgt zijn spreekgestoelte. Dekegel stichtte het lokale museum in 1969 en in vijf decennia heeft hij hier waarachtig een indrukwekkend levenswerk neergezet. “We hebben duizenden Romeinse artefacten naar boven gehaald”, zegt hij. “En we zijn er nog lang niet.” De wijde omgeving is nog behoorlijk archeologisch onontgonnen. Dat bewees ook de vondst van de mijlpaal van Péronne-Lez-Binche op amper een kilometer van Vodgoriacum. De mijlpaal, opgericht onder keizen Antoninus Pius (138-161) is net iets ouder dan die van Devres bij Boulogne.

Philippe Dekegel, al 50 jaar conservator van ‘zijn’ Statio Romana

“Tja”, meesmuilt Philippe Dekegel, “Die mijlpaal. De gemeentearbeiders vonden er niks beters op dan hem naar het museum van Mariemont te brengen. Ook al lag hij op het grondgebied van onze vicus.” Het typeert zijn passie. Dekegel voert al vijftig jaar een strijd om erkenning. Als enige voorzitter van een vzw met een Romeinse collectie tussen alle provinciale of regionale musea, benadrukt hij keer op keer hoe alles in zijn Statio Romana volstrekt wetenschappelijk onderbouwd is. Dekegel was docent industriële vormgeving, maar zijn andere beroep, dat van landmeter, oefent hij nog steeds uit. Hij toont ons een Romeinse groma: het Romeinse landmeetkundig instrument om wegen en gebouwen aan te leggen. Een lange staf, met daaraan vier horizontale haaks op elkaar geplaatste armen. Je kan er rechte lijnen en haakse hoeken mee uitzetten en dus ook vierkanten en rechthoekige afbakeningen bepalen. Waarom de Romeinse heerwegen zo recht waren en de architectuur zo strak, is aan dit instrument te danken. Dekegel laat ons ook nog een chorobates zien, waarmee de Romeinen hellingsgraden konden meten.

Chaussée Brunehaut in Morlanwelz
Au Bon Accueil, Morlanwelz

De strakke stedenbouw van de Romeinen is, welja, iets van lang geleden. Terwijl we verder fietsen naar het noordoosten, verandert het landschap. Le Centre verwelkomt ons met een fascinerende ruimtelijke verrommeling van grijzige straten, tankstations en steenwegpizzeria’s. Het Romeinse heerwegennetwerk mag dan het grootste monument uit de oudheid zijn, voor ons liggen geen tumuli maar wel overgroeide terrils. We kijken uit naar reclamepanelen voor Gauloises, hier in de voormalige stoflong van België, maar ook daarvoor zijn we een paar decennia te laat. Naast de Borinage was dit dé economische levensader van het prille België. Het magistrale kasteeldomein van Mariemont lag er lang vóór de koolmijnen. In het museum kun je nu de mijlpaal van Péronnes-Lez-Binche, maar ook Merovingische sieraden uit de prinselijke necropolis van Trivières en Gallo-Romeinse bronzen beeldjes uit Bavay bekijken.

Bij Binche beginnen de terrils van Le Centre. De Romeinse weg loopt rechtdoor, voor de terril ligt links Vodgoriacum. Op de rotonde werd een wijngaardje aangelegd.

Nee, Gauloises worden zélfs in Le Centre niet meer gerookt, stellen we ook vast in Morlanwelz, het Waalse Little Italy, wanneer we aanschuiven in een fantastisch, gastvrij en luid Italiaans eethuis. De tortellini della case met ham en erwtjes is uit de kunst. Rome hoeft niet altijd antiek te smaken. Vóór ons ligt Liberchies (Geminiacum), maar eerst moeten we doorheen de woonwijken en garageplots van Chapelle-lez-Herlaimont en Trazegnies en doorheen akkers vol hoogspanningspalen naast de snelweg E42 bij Courcelles. We passeren de begrafenisondernemer SOS décès, rijden nét niet lek op het illegaal gestorte bouwpuin op onze verwaarloosde heerweg, wel netjes aangeduid met groenbemoste bordjes ‘Chaussée Romaine’, ook al lijkt hier al tien jaar niemand meer te zijn langsgekomen.

Km 274 – Liberchies (Geminiacum)

De limoncello van onze flamboyante restauranthouder in Morlanwelz, we gokken dat hij Tony Montana heet, kruipt in de benen. Het is welletjes. Liberchies – de vicus Geminiacum, bekend om zijn Romeinse muntschat – ligt naast het station van Luttre en dat is precies waar we een punt zetten achter deze tweede etappe.

Lijnrecht doorheen Groot-België (1): van Gesoriacum tot Turnacum

Precies 35 jaar nadat het Schengenverdrag op 14 juni 1985 de Europese binnengrenzen deed verdampen, mochten op 15 juni 2020 de hekken rond België voor de tweede keer weg. Eén dag later werd in het Oost-Vlaamse Velzeke het standbeeld van Julius Caesar beklad: een genocidaire koloniaal! Hoe achtergesteld de Menapii, Morinen, Nerviërs en Eburonen zich voelden door hun Romeinse veroveraars, is niet meer te achterhalen. Caesar legde wél de basis voor vrij verkeer van mensen en goederen dat een slordige driehonderd jaar zou standhouden. Daarmee deden de Romeinen het (voorlopig) beter dan onze EU.

Op hun belangrijkste ‘Belgische’ verkeersas, de Via Belgica – de antieke heerweg van Boulogne naar Keulen – kan je weer vrij de grenzen over, van Noord-Frankrijk via Vlaanderen en Wallonië, Zuid-Limburg en dan Noordrijn-Westfalen in. Op de 450 kilometer lange route is het speuren op de kaart naar namen als ‘Heirweg’, ‘Chaussée Brunehaut’ of ‘Römerweg’, want een uitgezette route is het niet. Soms is het een viervaksweg of een smalle dorpsstraat, evengoed is het een kaarsrecht aardespoor tussen de graanvelden. In het slechtste geval is het traject verdwenen onder klaverbladen, schrootterreinen en woonwijken.

Romeinse heerwegen: kaarsrechte trajecten

Etappe 1: Gesoriacum – Castellum Menapiorum – Turnacum

Een ruit, vijfhonderd kilometer diep en breed: Caesar begrensde zijn nieuwste verovering Gallia Belgica in 57 v.C. door de Noordzee, het Kanaal, de Seine, de Ardennen en de Rijn. De verenigde stammen van de Belgae zouden nooit meer zo’n weids grondgebied cadeau krijgen. De oost-westas die de Romeinen er aanlegden, de Via Belgica, ligt er nog steeds. Om hem vanop de fiets te verkennen, moeten we eerst de trein op.

Km 0 – Boulogne (Gesoriacum)

Ons stalen ros laden we op in Lille Flandres. Met een wijde boog via Amiens bereiken we de grijzige havenstad Boulogne: de westgrens van Gallia Belgica. We gaan van west naar oost: de Romeinse grensgordel aan de Rijn, de limes, lijkt ons symbolischer eindpunt dan de kille wateren van het Kanaal – de Oceanus Brittanicus. Turen over zee doe je het hier het beste vanaf het ietwat Romeins aandoende bronzen beeld van een adelaar op de kustboulevard. Hoewel het er staat ter ere van een verongelukte tweedekkerpiloot, sta je hier imaginair ook naast keizers als Augustus, Tiberius, Caligula en Claudius. Zij zagen deze kust als hun springplank naar Brittania. Vóór de verovering van Engeland in 43 n.C. door Claudius kreeg Gesoriacum eerst nog de gekke Caligula over de vloer. Kroniekschrijver Suetonius beschreef hoe de keizer ergens langsheen de kust zijn troepen beval om hun pijlen op de golven te schieten en ‘zeeschelpen’ als oorlogsbuit op de zeegod Neptunus te verzamelen, razend omdat Britannië buiten zijn bereik bleef. Boulogne zou van Caligula wél een vuurtoren krijgen. In de zestiende eeuw stortte die onder veel gedruis met klif en al in zee.

Epitaaf van de vrijgelaten slavin Claudia Prima, Musée-chateau de Boulogne

Het kasteel ligt hoog boven de wollige mist die de kaaien beneden omhult. Hier schijnt warempel de zon en staat de terrasjes op straat aan de voet van de imposante Onze-Lieve-Vrouwebasiliek, het lijkt Italië wel. In de catacomben van het kasteel – nu een oudheidkundig museum – vind je nog een Gallo-Romeinse muur. “Kijk”, zegt conservator Angelique Demon. “Een stuk van het fundament van wat ooit een 40 hectaren grote antieke stad was. Nog eens 20 hectaren groot was de zeehaven. Het hele complex was opgebouwd in terrasvorm. C’est assez spectaculaire.” Een topstuk is de Romeinse mijlpaal van Desvres uit de vroege derde eeuw, in 2004 gevonden langs het 50 km lange heerwegtraject tussen Boulogne en Thérouanne. Mijlpaal nummer 15 is de enige die tot nu toe werd opgegraven op het Franse deel van de Via Belgica.

Mijlpaal van Devres, 205 AD
Mural, Boulogne

Angelique Demon wijst liefdevol naar de Latijnse opschriften. “De afstand vanaf Thérouanne/Tervanna, 14 Gallische leuga, werd je ‘aangeboden’ door de keizer, in dit geval Septimius Severus (193-211)”, vertaalt ze. “Maar heel bijzonder is ook de verwijzing naar Septimius’ zonen Caracalla en Geta. De tweede werd door de eerste vermoord. In zo’n geval gold de damnatio memoriae: het keizerlijk bevel om alle verwijzingen naar een rivaal weg te beitelen. Dat het niet gebeurde, is een slordigheidje”, zegt Demon die samen met collega-archeologe Christine Hoët-van Cauwenberghe uitgebreid onderzoek verrichtte naar de mijlpaal van Desvres. “Je zat hier dan ook diep in de provincie. Bovendien staat het opschrift van de mijlpaal vol taalfoutjes. C’est mignon. Het was hier duidelijk niet de Via Appia.”

Romeinse beelden, Musée-chateau de Boulogne
Conservator Angélique Demon

Km 54 – Thérouanne (Tervanna)

Boulonnais, D341 tussen Desvres en Thérouanne
De D341 heet hier Chaussée Brunehaut, de eerste die we zullen volgen doorheen Noord-Frankrijk en Wallonië

Boulogne is net als Rome gebouwd op zeven heuvelen en dat zullen we geweten hebben. Wanneer we de stad onder het gekrijs van ons uitlachende meeuwen uitrijden naar het zuidoosten, valt er van een klassieke kaarsrechte heerweg alvast niks te zien. Reizen over de Via Belgica is een solipsistische oefening: je kunt enkel zeker zijn van je eigen gedachten, de wereld bestaat mogelijk niet eens. Maar na een zoning industriel wordt het landschap fluogroen en passeren we het heuvelstadje Samer. Tien kilometer verder, in Desvres, is de lokale supermarkt onze mijlpaal voor proviand. Vanaf hier ligt de Via Belgica onder de netjes geasfalteerde en niet al te drukke D52 – aan fietspaden doen ze hier niet. De Boulonnais is ook meteen één van de mooiste stukken van onze route: een weids bocagelandschap, nauwelijks dorpen. De weg slingert als een vaalgrijze rups naar de horizon. Hier en daar onderbreekt een metershoge Christus de leegte. 

Het traject Desvres – Thérouanne

Wat de schaarse overblijvende mijlpalen zoals die van Desvres ons verder leren, is dat de Romeinen in Gallië als afstandseenheid zowel de Romeinse mijl als de Gallische leuga gebruikten. Een mijl stond gelijk aan een milia passuum = duizend (dubbele) passen (of 1500 meter). De Gallische leuga was 1500 passen (2200 meter). Nuttige informatie voor legionnairs en handelaars te voet of per carrus, carpentum, rheda of raeda, petorritum, cisium en capsum en andere luidruchtig voortdokkerende spannen. Als fietser AD 2020 kan je als spielerei je route op het hele Romeinse wegennet plannen via https://omnesviae.org/nl/ en http://orbis.stanford.edu op basis van de Peutingerkaart en de afstanden op de Antoninitabel.

Fragment van de Peutingerkaart met wegennet in Noord-West Gallië
De burgemeester en de archeoloog, Thérouanne
De weg naar Cassel bij Ebblinghem

In Tervanna aan de prille Leie, de hoofdplaats van de Civitas Morinorum, het Romeinse Morinendistrict, staat een gloednieuw gebouw te blinken: het Centre de la Morinie. Een driekoppig team staat ons op te wachten. Archeoloog Vincent Merkenbreack is verbonden aan de universiteit van Lille en is speciaal voor ons hierheen gekomen. Woeste snor en bakkebaarden: een oude Belg! “Je suis Nervien”, zegt hij. “Ik ben geboren in Bavay, hét wegenknooppunt op de Via Belgica. Als tiener wilde ik al archeoloog worden: geen wonder met een Romeins forum om de hoek en twee archeologen als ouders. In Thérouanne haal ik mijn hart op. Onwaarschijnlijk wat hier nog allemaal in de grond zit.”

Tussen Thérouanne en Cassel
Cassel

In 1553 verordonneerde een gebelgde keizer Karel V dat Thérouanne (of Terwaan) – toen een Franse enclave in Artesië – tot de laatste steen afgebroken moest worden. Dat betekent dat de Romeinse overblijfselen hier onder vijf meter bijkomend middeleeuws puin liggen. “Vincent kost ons een hoop geld”, meesmuilt burgemeester Alain Chevalier die erbij is komen staan. “Ik heb zeven aanvragen lopen voor archeologische opgravingen. Wist u trouwens dat we een pelgrimsroute gaan openen naar jullie Westhoek? Terwaan was ooit de hoofdplaats van het bisdom waartoe ook Ieper behoorde…”. Archeoloog Vincent is in zijn vrije tijd ook centurion van een Romeins legioen. Hijlaat ons het kleine museum zien: een mercuriusbeeldje. Een kapiteel. Een strigilis om het zweet van je af te strijken na je bezoek aan het badhuis. “Het Maison de la Morinie is ook een buurtgemeenschapscentrum, met administratieve diensten, een ontmoetingsruimte en zelfs een gezondheidscentrum. Hoe dicht kun je erfgoed bij je bevolking brengen?”, zegt hij. “Net zoals onze opgravingen óók deze gemeenschap toebehoren. Dat is wel wat overheidsgeld waard, toch?”

Km 78 – Cassel (Castellum Menapiorum)

Ebblinghem, Rue de Thérouanne. Rechts aan de horizon de Casselberg.

Het gebied van de Menapii – de oude Vlamingen, zeg maar – rijden we in over de smalle D109. Voorbij de spoorlijn bij Ebblinghem komen we terecht op een aardeweg die vervolgens verdwijnt in een wei. Een paar kilometer hobbelen over steengruis – ongeschikt voor dunne fietsbandjes – en de oude weg sluit weer aan op asfalt, de drukke D933. Vlak voor Cassel gaat het traject over in een steil middeleeuws straatje dat uitkomt op de markt. Motorrijders en wielertoeristen verdringen zich op de terrasjes: dit is dé bergtop van Les Flandres. Castellum Menapiorum was voor de Romeinse tijd een oppidum (versterkte plaats) waarvan Caesar de hoofdplaats van de nieuwe Romeinse Civitas Menapiorum maakte. Het uitzicht over de vlakte reikt 50 kilometer ver. Zeven Steen-straetes waaieren alle windrichtingen uit.

De Via Belgica tussen Cassel en Bailleul
Op weg naar de vicus Viroviacum (Wervik)

De trajecten van de nieuwe viae volgden deels de bedding van de oude Gallische of Keltische paden. Het hele netwerk werd lokaal midweegs aan elkaar gebreid, gecoördineerd vanuit de verschillende civitates zoals Cassel, Bavay en Tongeren, zo stelt de Gentse professor Frank Vermeulen in zijn onderzoek naar de Romeinse wegennet bij Castellum Menapiorum. De wegen werden geplaveid met lokaal beschikbare materialen: zand, Doornikse kalksteen, metaalslakken… archetypische plaveien zoals je je een heerweg voorstelt, waren zeldzaam in Noordwest Gallië.

Km 166 – Doornik (Turnacum)

Na Cassel gaat het van de ene vicus (nederzetting) naar de andere aan de rand van het lieflijke Vlaamse heuvelland. De wijngaardjes aan de zuidzijde van de Kemmelberg roepen zuiderse herinneringen op, glooiende heuvels nodigen uit tot kleinschalige landbouw. Een ideale omgeving voor Romeinse villa’s, zoals in Zuid-Limburg? Eén exemplaar werd in 2006 blootgelegd nabij Belle/Bailleul, een andere in 2019 in een aardappelveld bij Nieuwkerken. “Allebei noodopgravingen” zegt conservator Johan De Schieter van het Archeocentrum Velzeke. “Crop marks en soil marks op luchtfoto’s geven soms aan dat er ‘iets’ onder de oppervlakte zit van een akker of veld. Op basis daarvan gebeuren opgravingen die na een tijd worden stopgezet omdat de landeigenaar of de overheid de grond in gebruik wil nemen.”

Mesen/Messines

Van beide villa’s is dus geen spoor meer te bekennen. Voorbij Bailleul van de Via Belgica evenmin, op één eenzaam ‘Heirweg’-straatnaambordje in Nieuwkerken na. Over de groene weiden tekenen zich ver in het zuiden de torens van Euralille af. Wervik (Viroviacum) was een belangrijke vicus. De lokale heemkundige kring zet er een tweejaarlijks Gallo-Romeinse weekend op, maar nu even niet. Hier voorbij ligt inderdaad Lille Métropole en daarover kunnen we kort zijn, want er is in de hele agglomeratie nog geen Rue des Romains te vinden. Wel een handig kanaal van Roubaix naar Spiere met een fietspad, dat je vanaf de Schelde vervolgens stroomopwaarts vlotjes naar Doornik brengt. Pas van daaruit echoot Groot-België opnieuw knerpend in het gruis van de Via Belgica – op weg naar Bavay.

Etappe 2

Turnacum – Bagacum Nerviorum – Geminiacum

Etappe 3

Geminiacum – Atuatuca Tungrorum – Coriovallum

Etappe 4

Coriovallum – Juliacum –  Colonia Claudia Ara Agrippinensium

Groenland On The Rocks

West-Groenland per zeiljacht

Knal, daar dondert alweer een stuk gletsjer de zee in. Het duistere gekraak is met geen pen te beschrijven. Heb je de wereld gezien, zeggen ze, dan is er altijd nog Groenland. Maar tijdens een zeilexpeditie langs de ijzige kust vink je in één klap je halve #bucketlist af.

DOOR WIELAND DE HOON, FOTO’S SASKIA DENDOOVEN EN PETER VAN COILLIE (COVERBEELD, DRONE)

In het mahoniehouten salon van het ranke zeiljacht Moonlight II of London deelt de bemanning zwemvesten uit. “Wat je ook doet, zorg dat je aan boord blijft”, grinniken ze. Het zeewater bij het West-Groenlandse Ilulissat, ver boven de poolcirkel, is een graad of twee. Toch is het hoogzomer. Groenlandse meisjes joggen door de straten van het havenstadje, een jong stel duwt een kinderwagen. Rafelige sledehonden liggen te soezen in de zon. ‘s Avonds varen we uit, de Diskobaai in.

Metalig en zilt ruikt de koude zeelucht als we koers zetten naar de Ilulissat Ijsfjord, een labyrint van monsterijsbergen. 35 miljard ton ijs per jaar verdwijnt via deze iceberg graveyard jaarlijks de oceaan in. Deze ijsbergen drijven ver zuidwaarts af naar Labrador, Newfoundland en – ooit – richting Titanic. Sensatie: pal voor ons stort een enorme flank in. Een andere reus flipt loom op zijn zij, een metershoge golf breekt tegen de randen van het smalle kanaal waar we behoedzaam doorheen navigeren. Plots verschijnt aan het wateroppervlak een zwart-witte schim: een bultrug. Iedereen gaat uit zijn dak als ook de staartvin sierlijk opduikt: National Geographic! De twintig meter lange walvis is één van de vele die we nog zullen zien. Het avondlicht hult het ijs in een bladgoudlaag, de zee wordt glanzend platina. Eén zonnebril is nauwelijks voldoende.

#walvisspotten #middernachtzonkijken

De Moonlight voelt zich doorgaans perfect thuis in de Caraïben, maar voor deze reis veranderde de airco aan boord in een kacheltje. Dikke bamboestokken aan de boeg moeten loslopende ijsschotsen afweren, de kiel werd behandeld met bioverf. Het is driehonderdvijftig kilometer varen naar onze volgende aanlegplaats. Ruisende golven en een gestaag brommende dieselmotor zijn de soundtrack. Dan steekt er wat wind op en gaan we zeilen. De Moonlight is sloepgetuigd, leggen crewleden Jan Martinus en Rob me uit. Er is een grootzeil en kleiner genuazeil.

Typisch voor een modern zeiljacht en veilig, want je loopt geen risico op een mep van de giek. Toch hou je je tijdens het zeilen beter vast aan de glanzende houten relingen. Maar tijdens onze tocht zal het bijna twee weken windstil zijn. Onze verplichte zwemvestjes zijn er voor het decorum. Overhellen doen we nauwelijks. Het weer, dit glorieuze weer dat ons vanaf de start vergezelt, zorgt voor eindeloze zonovergoten arctische zomerdagen. Kapitein Jo, een ex-militair met een krulsnor en een jack van de Finse marine, vertelt dat er ooit zo’n perfecte rugwind stond, dat hij wel zestien knopen kon halen. Maar de passagiers hadden ‘vol-au-vent’ anders begrepen en wensten geen diner bij een schuine hoek van 15 graden.

PERFECTE SKIPISTES EINDIGEND

IN EEN GLANZENDE, DODELIJKE DUIK 

Wij tuffen met een slakkengangetje van drie knopen verder naar het zuiden. De Belgische driekleur wappert in de flauwe bries. Op deze exploratietrip hééft het wel iets. Onze bemanning brengt overal nieuwe ankerplaatsen in kaart, want voor pleziervaarten is Groenland terra incognito. Het is vaak gissen en aftasten waar we veilig voor anker kunnen.

Ondertussen blijven we maar vinvissen en dwergvinvissen spotten. Drie bultruggen voeren een spectaculair ballet op. Synchroon komen ze naar boven om krill en visjes bij elkaar te drijven. De meeuwen hebben er een feestje aan. “De herfst begint op deze breedtegraad op 24 juli, wanneer de zon voor het eerst weer onder de horizon duikt”, mijmert Rob, onze scheepswerktuigkundige. Voorlopig blijft het ’s nachts licht. Internetbereik hebben we ondanks een lokale simkaart nergens. Maar dat hoeft ook niet, in deze diffuus paars-violet-roze wonderwereld. Aan de horizon doemt af en toe een eenzame ijsberg op: een flatgebouw met een gat erin, een piramide met sfinks, perfecte skipistes eindigend in een glanzende, dodelijke duik.

#packraften #gletsjerfluisteren

Groenland beslaat van noord naar zuid een even grote afstand als van Schotland naar Marokko. De kust is één immens fjordenstelsel. Per zeilschip de ijsvrije westkust verkennen en er lange trektochten maken: outdoorfanaten Willem (30) en Sofie (34) zagen er de ultieme vrijheid in.

Hun plan: elk jaar tussen juni en eind september zeilen van de Diskobaai in het noorden tot Kaap Farvel in het zuiden. Opgedeeld in etappes van telkens twee weken, voor een achttal passagiers per trip. Dat we ook zouden packraften, gaf de doorslag om mee te gaan. Een packraft is een draagbaar opblaasbootje van twee kilo waarmee je overal naartoe kan. Zoals naar een beest van een zeegletsjer, om er brokken ijs zo groot als een rijhuis te zien afkalven! Eerst leggen we nog aan in Sisimiut, een metropolis van vijfduizend inwoners vol kleurige huisjes. Sofie gaat op jacht naar vis en rendiervlees, wij op verkenning.

Een vriendelijke Groenlandse familie. Ze hebben een houten huisje aan een baai waar ze ’s zomers komen vissen en de stad even vergeten. De meeste Inuit die we ontmoeten zijn vriendelijk, verlegen en zwijgzaam, lijken zelfs wat kwetsbaar. Al is dat laatste meestal maar schijn: in al zijn schoonheid is dit een vreselijk onherbergzaam land, ongeschikt voor watjes. “Deze lente zijn we naar Antalya geweest”, vertelt de familie. “Om de kou te ontvluchten”. Hadden we al een klassiek beeld over het Inuitvolk, dan is dat meteen enigszins bijgesteld. “Wij komen hier van de natuur genieten. Alleen oma heeft het échte buitenleven nog gekend”, zegt mama Margrethe. “Hier, proef wat rauwe narwal. Snij zelf maar een plakje af. Of neem wat mattak, pikzwarte walvishuid.” Net als haar zus Caroline heeft ze Aziatische ogen en een Deense naam.

“Een overblijfsel uit de koloniale tijd. Maar jongeren hebben meestal een Groenlandse voornaam.” Zoals Nukakkuluk, een jongen met een leren jekker met wie we ook aan de praat raken. “Zeg maar Nuka. Mijn familienaam is Josephsen. No hard feelings tegenover Denen, al zien ze ons nog steeds als hun onderontwikkelde achtertuin.” Honderden miljoenen euro’s pompt Denemarken het land in. Toch zijn veel Groenlanders de bemoeiienissen uit Kopenhagen beu over walvisvangst, mijnbouw of jacht. Maar tegen welke prijs? Twee vrouwen staan te zwaaien met een grote roodwitte Groenlandse vlag, kleurig afstekend tegen de bruingroene heuvels. De stralende toekomst, gesponsord door Chinese mijnbouwbedrijven, ligt binnen handbereik.

EEN BERUCHTE FOBIE BIJ DE INUIT 

IS NANGIARNEQ OF KAJAKANGST

Dan varen we de Eternity Fjord in. Honderd kilometer reikt hij landinwaarts. Puntige bergen met loodrechte rotswanden en sneeuwtoppen torenen boven ons uit. Denk bij een Groenlandse fjord niét aan Noorwegen: de verlatenheid hier is totaal, de ongereptheid absoluut.

Ons doel is de gletsjer Kujadleq. Iedereen wordt stil als we naderen: urenlang hebben we hem in ons blikveld. We blazen de packrafts op en peddelen voorzichtig tussen blauwe ijsschotsen als eeuwenoud ijzig saffier. Fluisterijs waaruit zachtjes knisperend luchtbelletjes ontsnappen. Onze packrafts lijken blauwe, rode, gele en groene spikkeltjes hagelslag op de fjord. Varen doorheen de ijsblokjes voelt korrelig aan. Scherpe randen hebben ze. Eén scheurtje in mijn packraft en ik zink. Een beruchte fobie bij de Inuit is nangiarneq of kajakangst: paranoia over een vollopend, kapseizend bootje. Denken dat er water onder je huid zit, is een typisch symptoom. We houden halt op honderd meter van gletsjerrand en wachten tot een grote ijstoren het begeeft. Er komt geen grote golf die ons ondersteboven gooit, wel een trage, stroperige deining die het ijs rondom ons doet kreunen. De Kujadleq rommelt, er komt nog meer los. Hier kan ik de hele dag dobberen. Bijna zonder kajakangst.

#ijszwemmen #offroadgaan

Een ijsduik, verslavend? Mijn schouderspieren zinderen. Ik zweet me kapot. Véél te warm aangekleed. Een snelle sprong in het water om af te koelen – dankzij wat groepsdruk wordt ijsberen hier plots vanzelfsprekend. En er komt nog meer actie op ons af. Met gids Sofie gaan we op vierdaagse trekking met rugzak en ultralighttentje. Eerst nog wat varen, gelukkig.

Respijttijd met Dinah Washington in het salon met zijn boeken, gin-tonic, reuzegarnalen in cocktailsaus, plakjes wilde zalm, Bretoense vissoep en chicon gratin. Vakantie in Groenland. Dan spurt ratelend de ankerketting het water in – en worden we met zijn allen onverbiddelijk afgezet op een onbewoond schiereiland. Het is er prachtig, onbetreden, onbekend en vol miljarden muggen. Maar de spitse, naamloze bergen en de vele meertjes maken alles goed. Beklim je een anonieme top, dan kun je een naam laten registreren bij de geografische dienst, vertelde Willem ons. Måneskin Toppen lijkt ons wel wat. Je moet er wel iets voor over hebben.

Trekken in Groenland betekent: met twintig kilo op je rug offroad gaan over puinhellingen, soppen door zompig moeras, of half bevriezen tijdens ijskoude doorwadingen. Waar is dat schip en de hespenrolletjes in het kombuis? Het wordt de onterechte running gag tijdens onze tocht, een aaneenschakeling van natuurwonderen waarover je een jaar lang kan blijven dagdromen.

#beachpartyen #ijskapfietsen

Een beachparty, het moest er van komen. Op het strand van een bergmeertje. Vuur laait hoog op, balkanbeats galmen, kapitein Jo doet zot en de whisky vloeit. We voelen ons écht pioniers. In geen honderd kilometer om ons heen staat een huis. Een ongekende luxe, als alles goed gaat.

We nemen afscheid van onze geweldige bemanning. Er zal nog een afscheidsfeestje volgen – iets met op Vlaamse schlagers swingende Groenlanders. Dan checken we in op het propellervluchtje van Maniitsoq naar Kangerlussuaq, de luchthaven voor onze retourvlucht naar Kopenhagen. We hebben nog een dagje over. Er staan mountainbikes te huur! En zo komt het dat we over een zanderige piste fietsen door een kurkdroog poolwoestijnlandschap naar de rand van het Grote IJs – Sermersuaq. De Groenlandse ijskap strekt zich uit zover het oog kan zien. Chaotisch en ongenaakbaar, al je zintuigen raken het noorden kwijt.

Smeltwater baant zich in donderende stromen een weg richting zeespiegelstijging. Een poolhaas houdt ons op zijn gemakje in het oog, diepvrieswind giert door onze kleren. We spotten rendieren en muskusossen. Kunnen we ook een stukje Groenlands ijs adopteren? Door minder te vliegen (maar dat deden we al, écht). Of als het niet anders kan: als blokjes blauw fluisterijs in een gin-tonic, op ons tuinterras.

PRAKTISCH

Groenland (Kalaallit Nunaat) raakt in trek als actieve bestemming, maar een goedkope trip is het niet. Je vliegt met Air Greenland of Icelandair. Vanuit de internationale hub Kangerlussuaq (‘Kang’) zijn er vluchten naar Nuuk, Ilulissat, Sisimiut en Maniitsoq. Verschillende veerdiensten in Zuid- en West Groenland. In het zuiden vind je de enige asfaltweg tussen twee dorpen (4,8 kilometer, tussen Ivittuut and Kangilinnguit). In de winter reis je in Noord- en Oost-Groenland per hondenslee. Daar vind je nog traditionele jacht- en vissersgemeenschappen van enkele tientallen mensen. Het enige gemarkeerde wandelpad in Groenland is de ACT, de Arctic Circle Trail: 160 kilometer van Kangerlussuaq naar Sisimiut.

Groenlanders zijn met 56.000, waarvan 12.000 in de hoofdstad Nuuk. Het Groenlands – Kalaallit – behoort tot de Inuit-Aleoetische talen. Alle Groenlanders spreken Deens, de meesten ook wat Engels. De meeste mensen zijn vriendelijk maar verlegen. Af en toe nodigen ze je zomaar uit op de koffie: een kaffemik! Visvangst, walvisjacht, mijnbouw en toerisme zijn de belangrijkste inkomensbronnen. Al zijn er maatschappelijke problemen, onveilig hoef je je er niet te voelen. Het sociale vangnet is op Europese leest geschoeid en er is een alcoholavondklok. In de extreme Groenlandse wildernis ben je op jezelf aangewezen. Bereid je zorgvuldig voor. De zomers in Groenland worden net als elders warmer dan vroeger.

Wij reisden met Puffins Travel (puffins.travel), dit jaar opgestart door de jonge Vlamingen Willem Vandoorne en Sofie Vanmaele. Ze gaan voor kwaliteit, ecovriendelijkheid en kleinschaligheid. Je reist zo ongemotoriseerd mogelijk. Verse voorraden worden altijd lokaal en zonder tussenpersonen ingeslagen, tijdens de landarrangementen overnacht je bij voorkeur bij Groenlanders thuis en in een bivaktent. Informeer je vooraf goed, als Puffin heb je best wat ervaring met rugzaktrekkings. Je ontdekt dan wel fantastische berglandschappen, zeegletsjers, hoogvlaktes, wilde dieren, warme bronnen, authentieke nederzettingen…

Het dak van de Eifel

Toegegeven, wandelen in de Eifel lijkt nogal op stappen in de Ardennen. Maar er zijn een paar belangrijke verschillen. De routemarkeringen zijn superdeluxe, zeker in het Nationalpark Eifel waar de twee grote wandelroutes van dit stukje Duitsland samenkomen: de (lange) Eifelsteig en de (veel kortere) Wildnis Trail. Ze ontmoeten elkaar boven op een bijzonder stukje natuurschoon: de Dreiborner Hochebene. Die boomloze ‘hoogvlakte’ is eigenlijk een voormalig militair terrein met hier en daar nog fikse bomkraters en opgeblazen en nu fraai overwoekerde bunkers. Het lijkt wat op Elsenborn, maar in tegenstelling tot de Hoge Venen bestaat de bodem hier niet uit veen maar uit droog grasland, afgewisseld met brem en hier en daar een sparrenbosje. Grote stukken van deze 3300 hectare grote vlakte bieden je een leuke wilderniservaring die hier en daar wel een beetje wegheeft van  Engelse moorlands – als je tenminste niet de hele tijd kijkt naar windmolens aan de horizon, net over de grenzen van het nationale park. Dit is tenslotte Nordrhein-Westfalen en niet Dartmoor. Soit, de Dreiborner Hochebene is een aardige brok natuur waar we twee nachten ongestoord wildkampeerden en de eerste ochtend warempel verrast werden door een prachtige kudde edelherten.

Deze diashow vereist JavaScript.

We liepen een veertigtal kilometer in een wijde lus van en naar het peperkoeken dorp Einruhr, waarbij de leukste vista’s zeker te vinden zijn in deel in de buurt van het in 1936 (door de SS) ontruimde en in 1946 (door de geallieerden) verwoeste dorpje Wollseifen waar nog een kerkje en enkele nephuizen voor schietoefeningen te vinden zijn. Ook de voormalige SS-Ordensburg Vogelsang is een attractie, een donker en naargeestig nazicomplex met een prachtig uitzicht op de grillige oevers van het diep ingesneden Rur-stuwmeer. Een prima kantine vind je ook in deze kazerne vol Derde Rijksymboliek waar het Belgische leger na de oorlog tot groot genoegen van de dienstdoende Xavier Waterslagers’en 2006 zijn tenten opsloeg. Hee, wandelen in de Eifel lijkt al bij al helemaal niét op stappen in de Ardennen na een rondje Dreiborner Hochebene.

Struthof, ma belle

20161101_130435

Over een concentratiekamp weet je eigenlijk niets tot je zelf door de poort naar binnen stapt. Laat varen alle hoop, het bekruipt je wanneer je het griezelige K.L. Natzwiller-Struthof betreedt. Niemand schijnt het te kennen, dit kamp waar tussen 1941 en 1944 22.000 mensen omkwamen. 86 Joden werden er experimenteel vergast in een omgebouwde voormalige feestzaal om deel uit te gaan maken van een etnisch curieuze skelettencollectie voor de universiteit van Straatsburg. Geurige herfst, een knisperend briesje uit het oosten, gele en rode vallende, tuimelende, wervelende bladeren: de setting is heerlijk. Aan de horizon, doorheen het prikkeldraad dat ooit de nette, in rotten van vier opgestelde barakken scheidde van de prachtige natuur, lonken de hellingen van de 1009 meter hoge, heilige berg Donon. Aan weerszijden van het tegenwoordige langeafstandswandelpad GR53 over de ruggengraat van de Vogezen, wachtten de verzetsstrijders in de hoopvolle zomer van 1944 hun kans af om hun kameraden in Le Struthof te bevrijden. Ze waren te laat: in de nacht van 1 op 2 september vermoordden SS’ers alle gevangen maquisards. De verhalen zijn bekend, maar je moet dit ijselijke kamp gezien hebben, de frisse berglucht geroken, de kille tekeningen van de overlevende Franse officier Henri Gayot op je laten inwerken, de strop aan de galg zien bungelen, naar het groene bloemetjesbehang gestaard hebben van de medische experimenteerruimte waar 86 lijken verzaagd werden omdat ze niet op tijd aan de Strassburger Reichsuniversität raakten. De houten toegangspoort van het K.L. Natzwiller-Struthof lijkt op een scoutsconstructie. In de wouden rond het open rotsplateau van de Rocher de Mutzig met zijn massieve monolieten maakten we de mooiste wandelingen van het jaar. Op de flanken van de Jardin des Fées weerklonk hondengeblaf en geschreeuw van jagers.

20161101_150158
20161101_114908

20161030_09311520161030_10473520161101_12354520161030_12582320161030_13013320161030_123721.jpg20161031_09271220161031_10484420161031_15171820161031_15244420161031_15432820161101_12435820161101_12473420161101_12475220161101_14533220161101_14592020161101_152242

De planeet Melancholia

Flores1.jpg
Flores, Açores – West Coast near Faja Grande

De twee westelijkste Azoreneilanden zijn de mistige karakters van de familie. Is Flores de balorige bruid – houd Kirsten Dunst maar in gedachten – dan is Corvo de lastige kleine van de hoop. Een week lang speelden ze een spelletje hard-to-get met ons.

Tekst Wieland De Hoon – beeld Saskia Dendooven/Wieland De Hoon

Oceaan. Een eilandgevoel. En wat geografische eigenaardigheden, meer moest het niet zijn. Tristan da Cunha of Sint-Helena liggen te ver, en zo komt het dat we op een zonovergoten ochtend met een propellervliegtuig landen op het afgelegen Azoreneilandje Flores. Ons fleurige dorpje Faja Grande aan de westkust heeft Portugese flair, kasseistraatjes, achttiende-eeuwse kerkjes en huizen in pastelkleurtjes. Geen apparthotel te bekennen. Wel een wijnbarretje van een hippie-achtige Spaanse: we mogen buiten op zwarte lavarotsen in een kleurige sofa zitten. ’s Avonds verpozen bejaarde dames met dikke brilglazen onder de platanen, de mannen roken een sigaretje op een straathoek. Direct achter Faja begint het nevelwoud.

unspecified2.jpg
Flores, Açores. Forest, Faja Grande.

 

Flores en Corvo zijn biosfeerreservaat. De natuur is er aangrijpend mooi. Een uitbundige explosie van donkergroen, ondoordringbaar regenwoud aangekleefd tegen hoge kliffen waar tientallen watervallen naar beneden ruisen. Hortensia en siergember (Hedychium gardnerianum) zijn de bloemen die je hier overal ziet, eigenlijk twee immigranten uit de Himalaja. Ook bananen, papaja en ananas zijn import die prima gedijen op Flores. Met groengrijze rotswanden als speelterrein voor meeuwen, sterns en stormvogels duikend in laaghangende oceaanmist is het hier een subtropisch mini-Schotland met dag en nacht een temperatuurtje van 22 graden. De vochtige kustjungle is amper een paar kilometer breed. Al de eerste avond springen we aan de voet van de honderd meter hoge waterval Poço do Bacalhau in een meertje. Iets frisser toch dan we hoopten.

Flores3.jpg
Flores, Açores. Poço da Alagoinha.

Onze gastheer Octavio is een opmerkelijke mix tussen Richard Pryor en een sandinist uit het Managua van 1979. Hij tuurt met ons mee over de oceaan vanop de kerktrappen van het gehucht Ponta Faja. Vlak voor de kust, op 31° 16‘ westerlengte, ligt het piepkleine Ilhéu do Monchique. “Het westelijkste puntje van Europa”, zegt Octavio. “Verder niks meer.” Zeelui ijkten er vroeger hun navigatie-instrumenten op. De rots als een zwarte haaientand is te zien vanop het spectaculaire kustpad. Woeste schuimkoppen rollen er tegen te pletter.

unspecified.jpg

Mooi, zou wijlen islomaan Boudewijn Büch dat gevonden hebben. In zijn boek De wereld in 160 eilanden komen de Azoren niet voor. Dodo’s waren er niet op Flores, noch is hier het graf van een bekende schrijver te vinden. Maar Büch zou Flores vast interessant gevonden hebben door de ongenaakbaarheid van de oceaan die dit speldenkopje van 10 bij 16 kilometer omspoelt. Dat je je hier pal even ver – tweeduizend kilometer – van de Portugese als van de Canadese kust bevindt, hij zou er zich danig over verkneukeld hebben. Net als over het weetje dat Flores en Corvo zich al op de Noord-Amerikaanse tektonische plaat bevinden.

unspecified7.jpg
Corvo Island, Açores

Het eiland Corvo ligt het verst van alles. Met zijn zeven vierkante kilometer is de winderige berg het kleinste Azoreneiland. Drie kwartier duurt de overzet met de ferrybootje Ariel. Met zijn twaalven – meer passagiers kunnen er niet op – ondergaan we de Atlantische deining, maar we hebben hoge bescherming: tegen de gevels van de witte huisjes van Corvo zijn ingemetselde tegels gewijd aan Nossa Senhora dos Emigrantes, de schutspatrones van de emigranten. “Ik ben hier geboren, maar mijn ouders trokken naar Vancouver toen ik amper één was”, vertelt Oriana, een mollige zestigster met een sonoor Amerikaans accent. Het is de laatste zondag van juli, en dan gaat in hier het feest van de Sagrada Familia door, de heilige familie. “Op Corvo zijn we allemaal very, very catholic”, ratelt Oriana monter terwijl ze gebraden kippenbouten met frieten op plastic borden schept in de eettent die voor de gelegenheid werd opgezet.

unspecified9.jpg
Flores, Açores. Forest.

“Voor elke heilige is er wel een feest. Het grootste is Nossa Senhora dos Milagres, het feest van de Heilige Maagd der Mirakels. Dan gaat er een nog grotere processie uit. Kom je niet kijken straks? Eerst moet je wel mee naar de mis.” Madonna’s in de mist. Mirakels kunnen de mensen op Corvo wel gebruiken. ‘s Winters is het isolement soms niet te harden. De bevoorrading kan tijdens winterstormen dagenlang stokken, verse groenten en fruit zijn dan in een wip uitverkocht. “Toen ik hier een paar jaar geleden weer kwam wonen, had ik niet zoveel met heiligen – ik kom uit Vancouver, weetjewel.

Corvo1.jpg
Corvo, Açores, harbour pier

Toch heb ik ook zo’n huistegel laten inmetselen. Baat het niet dan schaadt het niet, dacht ik”, grinnikt ze terwijl ze een sliert grijs haar wegveegt voor haar dikke brillenglazen en ons nog een kippenbil serveert. De processie rukt uit. Traagt deint Nossa Senhora mee op de schouders van de processiegangers. De monstrans wordt gedragen door een magere zwarte man in een glimmende broek. Misschien heeft hij Angolese of Guinese roots. De pastoor draagt een zwarte zonnebril en lijkt op Don Corleone. Oriana wijst naar de achter het dorp oprijzende vulkaanhelling: “Zijn jullie dáár al geweest?”

unspecified4.jpg
Flores, East Coast

“Daar” is de hoog boven Vila Nova rustende drakenrug van de caldeira, de grote vulkaankrater. Die is dé reden voor onze drie vluchten en een boottocht helemaal hierheen. Waar het in het dorp volop zonnig is, belemmeren wolkenflarden ons bij het omhoog rijden al snel het uitzicht. De chauffeur haalt zijn schouders op: niets bijzonders. De oceaan lijkt loodgrijs door de vette lage wolk die onwrikbaar boven de kust hangt. Maar zie, Nossa Senhora is ons goed gezind: de mistflarden waaien weg en een reuzenketel met daarin meertjes en eilandjes wordt zichtbaar. Met wat verbeelding zie je er de vorm van de Azoren in, had Oriana ons bezworen.

unspecified.jpg
Azores, Ilhéu do Monchique, 31° 16’30” W

Het fijnmazige patroon van schrale weiden en lila hortensiahagen op de kraterflank lijkt wel een impressionistisch schilderij. Vlak erachter duikt de rotswand zevenhonderd meter de diepte in. Enkele koeien staan onverschillig te herkauwen. Zout en gras geven Azoreaans rundsvlees een unieke zilte smaak. We proberen het uit in het restaurantje O Pescador in het gehucht Ponta Delgada op Flores. Wat ik ervan verdenk een leren lap vlees te zijn wegens een ongevraagde bien cuit, blijkt een wereld van aroma en superieure textuur te zijn. En, Pomatomus Saltatrix nog-aan-toe, de blauwbaars die we geserveerd krijgen in O Pescador is wereldklasse. Haast achteloos krijgen in dit obscure eethuis voor een miniprijsje spijzen voorgezet die ons in België met ons vieren een driecijferrekening zouden opleveren.

unspecified6.jpg

Ook na vijf dagen is de mist in het binnenland nog niet opgetrokken. “Of we de meren al gezien hebben?”, vraagt Octavio. Volgens hem is het een hele rare zomer. Climate change, zou je haast gaan denken. De vijf meertjes op de hoogvlakte van Flores zijn inderdaad niet te bespeuren. De highlands van Flores geven zich met tegenzin bloot. Het is niet het enige verschil tussen Flores en Corvo en de andere, lieflijker Azoreneilanden. Flores is groen en ongerept, maar heeft een onherbergzaam trekje. Het grootste zandstrand vind je er aan de Faja – letterlijk kustakker – de Lopez Vaz aan de zuidkust. Spectaculair is de wandeling die ons van het hoogplateau naar de kust voert. Enkele huisjes liggen er achter het zwarte strand tussen maïs, bananen- en suikerrietveldjes. Het riet ruist in de zeewind, achter ons alweer zo’n hemelhoge muur van tot aan de wolken reikende verweerde kliffen. Het is er onheilspellend afgelegen, maar ook prachtig. Op het paadje naar beneden hebben verschillende Mariabeeldjes een nisje in de rotswand gekregen.

az3.jpg
Flores, South Coast, Faja de Lopo Vaz

Aan het rotsbassin van Faja Grande staat een visser op de betonnen kaai. Als de verweerde Santiago uit Hemingways oude man en de zee blijft hij zijn lijntjes met als aas een klein visje eraan uitgooien. Telkens haalt hij zijn lijn schoon weer in. Ze zuigen, maar bijten niet: deze Santiago slaat geen reuzenmarlijn aan de haak.

unspecified.jpg
Flores, Açores, Faja Grande

Dat hij er nog een hengelelleboog aan over houdt als hij zo doorgaat, vrezen we. Samen kijken we uit over de deinende oceaan richting Amerika. Er steekt een kleverig briesje op. In het veilige zwemgedeelte bij de kaaimuur zwemt ons kroost in de nét niet lauwe branding tussen bontgekleurde visjes en knalrode zeesterren.

az1.jpg
Flores, Açores, Hedychium gardnerianum

Praktisch

De westelijke Azoren zijn de natste. De temperatuur schommelt ook buiten de zomermaanden overdag het hele jaar door tussen 17 en 22 graden. Het weer is totaal onvoorspelbaar, maar biedt je een prachtig wisselend schouwspel van zon, mist en regenbuien.

Wij vlogen met TAP en SATA van Lissabon via Horta (eiland Faial) naar Santa Cruz das Flores. Je kan ook rechtstreeks met Jetairfly vanuit Brussel naar Ponta Delgada op het eiland Sao Miguel. Van daaruit kan je met SATA naar Flores of Corvo. Tijdens de zomermaande verzorgt rederij Atlanticôline de lijn Horta-Santa Cruz das Flores.

unspecified3.jpg

Via de site http://trails.visitazores.com/en check je per eiland de mooiste wandelingen op de Azoren via Google Earth.

Verblijven deden we in Residencia Matéus op Flores: simpel, goed en reuzesympathiek. http://residenciamateus.com

Visrestaurant en authentieke Portugese taberna O Pescador in Ponta Delgada bereiken kost wat moeite, maar de plek is zijn viereneenhalve ster op Tripadvisor dan ook waard. Probeer er als voorgerecht de witte Azoreaanse queijo fresco met pimenta da terra-rode pepersalsa.

Canyoning op Flores laat je het allermooiste beleven van de watervallen en rotspoelen op het eiland: www.westcanyon.net. Hoogtevrees is leuk.

Zwemmen tussen de scholen visjes en socializen met de Azoreanen: heerlijk in de natuurlijke rotspoelen van Santa Cruz das Flores.

FloresCorvo.jpg
Distance Ilhéu do Monchique to Path End, Canada: 1933 km ————————————————- Distance Ilhéu do Monchique to Cabo da Roca, Portugal: 1879 km

 

 

 

Altijd rechtdoor: de Viae Romanae

Dat de Romeinen graag fietsten, weet iedereen. Haha, onzin. Maar waarom legden ze dan zulke perfecte fietssnelwegen aan? 

Flobecq.jpg
Flobecq

In Henegouwen bleven zeven Romeinse heirbanen bewaard. Ze trekken kaarsrechte lijnen door het landschap, in allerlei soorten: een veldpaadje kan plots overgaan in een drukke nationale weg of een lintbebouwde dorpsstraat. Evengoed beland je dan weer op een modderig tractorspoor tussen twee akkers. Uitwaaieren doet die zevensprong vanuit het Franse grensstadje Bavay. Dat tweeduizend jaar oude patroon zie je nog duidelijk op een gewone moderne wegenkaart.Ooit heette het daar Bagacum Nerviorum en was het de hoofdplaats van de Nerviërs, zowat de lastigsten aller Galliërs.

Wodecq.jpg
Wodecq

Lahamaide.jpg
Lahamaide

In de late jaren zestig waren de gebroeders Willy en Marcel Brou er ook al mee bezig. Hier een fragment uit hun boek Chaussées Brunehault et monuments meǵalithiques de la Gaule du nord, Willy Ch. et Marcel L. Brou, 1969 : “In België vinden we oeroude kaarsrechte wegen die met behulp van viseerlijnen zijn ontstaan. Een viseerlijn of straal is een op een ster of planeet gerichte lijn, die is geprojecteerd op de aarde. Ze werden Bruneholdewegen genoemd, sporen van hun tracés zijn nog makkelijk terug te vinden. Het zijn er zeven, die in Bavai bij elkaar komen. Op het marktplein van Bavai staat een gedenkzuil waarin de zeven wegen zijn aangegeven” (bron: kunstgeografie.nl)

Jesus.jpg
Blicquy

Oeudeghien.jpg
Oeudeghien

Van Gent naar Bavay

De heirbanen heten allemaal officieel Chausseé Brunehault (of Bruneholdeweg). Deze naam verwijst naar de Frankische prinses Brunhilde van Austrasië (534-613). Onder haar bewind werden de oude Romeinse wegen opgeknapt. Op de Ferrariskaarten uit 1777 zie je de spelling ook als Chaussée Bruneau (of Chaussée Ancienne). So far for the geeky history stuff. Of wacht. De heirbaan Bavay-Tongeren (Tongeren was een belangrijke etappe naar Keulen, Colonia Agrippina) en westwaarts Bavay-Boulogne is de bekendste heirbaan: de Via Belgica. Minder bekend zijn Bavay-Asse (die liep door naar het Bataafse Dorestat, in wat nu Nederland is) en Bavay-Velzeke (in de buurt van Zottegem in Oost-Vlaanderen).

En dan nu praktisch. De heirbaan Velzeke-Bavay, want daarover gaat dit blogpostje, werd onlangs bewegwijzerd en is inderdaad heel mooi traject dat je vanuit Gent door de Zwalmstreek, de Vlaamse Ardennen, het Pays des Collines, de vlakte van de Haine en het Haut-Pays brengt. De aanleiding voor dit stukje is dan ook mijn tweewieler die ik van stal haalde om van Gent naar Bavay te fietsen, wat op zich sneller gezegd dan gedaan is op een doordeweekse zondag. Gent-Bavay is al gauw zo’n 110 kilometer en dan moet je nog terug. Gelukkig zijn er stations in Quiévrain, Quévy en Mons, waardoor je je terugkeer makkelijk kan plannen.

Blicquy.jpg
Aubechies

Brunehault.jpg
Mainvault

Legioenen Johnnies

Hoe is het fietsen op deze heirweg? C’est compliqué. Trage wegen zijn dit nog niet echt, af en toe zelfs eerder racepistes waar Johnnies je voorbijrazen tegen 140 per uur. In Vlaanderen is dat niet zo’n probleem, wegens teveel bochten op het traject. Pas vanaf Brakel, tien kilometer voorbij Velzeke (km 0), wordt de weg echt kaarsrecht zoals het hoort, vanaf de Riebeke (km 12). Aanduidingen naar een ‘Romeinse Weg’ vind je hier overigens nergens. Via de Leinstraat en Cijnsland bereik je de taal- en gemeentegrens met Flobecq-Vloesberg (km 15). Daar begint de fun op de 13% afdaling naar het gehucht Puvinage (km 18) waar je aan het kapelletje de eerste (en gloednieuwe) wegwijzer ziet van de Viae Romanae.

Je bent en blijft op de goede weg: vanaf nu is het altijd… rechtdoor. Wodecq verveelt nog met wat lintbebouwing maar bij Lahamaide en Œudeghien heb je een mooi weids uitzicht op het Pays des Collines. De Chaussée Brunehault streept zichzelf kaarsrecht door Houtaing, het gehucht ‘Rome’ (haha), Ligne, Blicquy en Aubechies, waar je een Gallo-Romeins museum kunt bezoeken (de Archéosite – km 39). Jezus kijkt je onderweg op de baan aan achter tralies in een nog een kapelleke, de wind heeft vrij spel over de uitgestrekte bietenvlakte. De Romeinse legioenen zullen hier niet zo uitgewaaid zijn als ik, want toen was het hier het Kolenwoud en dus allemaal gevaarlijk bos (check locatie ‘Nervii’).

Blicquy2.jpg
Beloeil

Bavay.jpg
Bavay

Geen kermiskoers

Bij Ellignies Sainte-Anne vervoegt de drukke N527 de Chaussée Brunehault en ben je aangewezen op zo’n erbarmelijk Henegouws fietspad vol glassplinters en loszittende betonplaten. Hier loopt lekker fietsen wat spaak op de Via Romana. Verder geen kritiek op deze mooie provincie, want het RaVEL-netwerk is hier echt geweldig uitgebouwd. Nu komt het erop aan om de Viae Romanae-borden goed te volgen, want je moet achtereenvolgens de E42, het kanaal Nimy-Blaton, het kanaal Hensies-Pommeroeil en de E19 kruisen voordat je in Hensies (km 56) weer kunt aansluiten op de Chaussée Brunehault. Je hoeft gelukkig niet door het ultradeprimerende (écht, brrr) Quiévrain: het gaat door uitgestrekte velden via Audregnies naar Montignies-sur-Roc, waar het alweer begint te heuvelen.

Dit is het Haut-Pays, een stukje Borinage, jawel, vol bossen, beekjes en bakstenen dorpjes, nauwelijks bekend in Vlaanderen. Er is zelfs een brouwerijtje, de Brasserie de l’Abbaye des Rocs. De Vlaamse Ardennen zonder de kermiskoers en een boeiend stukje grensgebied. In de voormalige commandorij La Flamengrie vind je nog achttiende-eeuwse grenspalen met ‘France-Autriche’ erop gebeiteld, van voor 1792 dus. De grens (km 66) zelf steek je over aan een kitscherig ex-douanekantoortje, naar het Franse Bavay is het dan nog zeven kilometer. Daar valt een groot Romeins forum te zien (199 bij 300 meter), wat het stadje qua Romeins historisch belang op dezelfde lijn plaatst met bijvoorbeeld Trier en zijn Porta Nigra. Schreef ik ‘op dezelfde lijn’? Welja, de heirbaan tussen Bavay en Trier bestaat ook nog. Conclusie? Die zes andere Viae fietsen we zo binnenkort mogelijk.

Carte-Brou.jpg
de Brou-kaart (1969)

 

unspecified
Klik hier voor de route

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑